Nieuws over Training en Coaching, Croan Consult

Nieuws

Lees hier het laatste nieuws.

Hoe introvert of extravert ben jij?

 

De extravert is die enthousiaste flapuit die zijn medemens maar zelden met rust laat. De introvert verdwaalt graag in zijn eigen hoofd en heeft weinig behoefte aan schreeuwerige mensen om zich heen. Welk label past het best bij jou? Test hoe introvert of extravert jij bent.

Klik hier om deze gratis test te doen!

Deze test op Quest.nl is gebaseerd op vragenlijsten die worden gebruikt in de psychologie om proefpersonen te testen op de mate van extraversie.

7 dingen om te onthouden als alles mis lijkt te gaan

Soms lijkt alles tegen te zitten, het ene na het andere gaat mis en je weet even niet meer zo goed wat je moet doen. Je voelt pijn, verdriet, teleurstelling of boosheid en je hebt het zwaar. Onderstaand vind je 7 dingen om te onthouden als je door een lastige periode gaat:

 

  1. Pijn is een onderdeel van groei
    Soms zorgt het leven ervoor dat deuren worden gesloten omdat het tijd is om verder te gaan. En dat kan goed zijn, want nu worden we gedwongen om de stappen te nemen die we anders nooit zouden nemen. Ga verder en laat hetgeen je pijn heeft gedaan achter je, maar vergeet nooit wat het je heeft geleerd. Dat je worstelt betekent niet dat je faalt. Blijf positief en geduldig, uiteindelijk zullen dingen weer op zijn plek vallen. Laat de pijn toe en ga er niet tegen vechten, het is er toch. Leer van je pijn en laat je pijn je helpen om te groeien als mens.
     
  2. Alles in het leven is tijdelijk
    Elke keer als het begint te regenen dan stopt het ook weer. Elke keer als je wordt gekwetst dan heel je weer. Na donkere tijden komt weer licht – elke ochtend word je hier weer aan herinnert, maar toch vergeten we het snel. We denken dat donkere dagen voor altijd duren, maar niets duurt voor altijd. Dus als er nu mooie dingen in je leven gaande zijn, geniet ervan want je weet niet hoe lang het duurt. Als dingen op dit moment slecht zijn, weet dan dat dit niet altijd zo zal zijn. Ook jij krijgt een tweede kans, je moet alleen de kansen grijpen en er het beste van maken.
     
  3. Je zorgen maken en klagen helpt niets
    De mensen die het meeste klagen, bereiken het minste. Het is altijd beter om een poging te doen en te falen dan om niets te doen. Het is niet over als je hebt verloren, het is over als je niets doet en erover klaagt. Als jij ergens in gelooft moet je blijven proberen. Vandaag spenderen met klagen over gister maakt morgen niet beter. Onderneem actie en leer van het verleden. En wat er ook gebeurd, onthoud dat echt geluk pas komt als je waardeert wat je nu al hebt.
     
  4. Je littekens zijn een symbool van je kracht
    Schaam je nooit over de littekens die het leven je heeft nagelaten. Een litteken betekent dat de pijn over is en dat de wond is gesloten. Het betekent dat jij je pijn hebt overwonnen, dat je een les geleerd hebt en dat je sterker bent geworden. Sta niet toe dat jouw littekens je tegenhouden, laat ze een een symbool van jouw kracht zijn.
     
  5. Elke kleine worsteling is een stap voorruit
    Geduld hebben betekent niet altijd dat je afwacht. Het betekent ook dat je positief blijft terwijl je naar je dromen toewerkt en dat je weet dat het het allemaal waard zal zijn. Het betekent misschien teleurstelling en toch weer doorgaan, het betekent eenzaamheid en toch doorzetten. Dus het maakt niet uit hoe hobbelig jouw pad is, elk stapje is er één waar je trots op mag zijn.
     
  6. De negativiteit van anderen is niet jouw probleem
    Blijf positief wanneer negativiteit je omringt. Glimlach als anderen proberen om je naar beneden te halen. Blijf jezelf, ook als anderen je slecht behandelen. Laat de bitterheid van de ander jou niet veranderen. Mensen doen zelden iets om jou, het gaat om hen. Het is hun onzekerheid, twijfel of teleurstelling. Dus maak je zorgen om jezelf en niet over wat anderen van je denken. Doe wat jou gelukkig maakt!
     
  7. Het beste wat je kunt doen is door blijven gaan
    Wees niet bang om weer op te staan, om weer te proberen, om weer lief te hebben, om weer te leven, om weer te dromen. Laat een een harde les jouw hart niet verharden. Je leert vaak het meeste van de zwaarste periodes en de grootste fouten. Er zullen momenten zijn waarop alles wat fout kan gaan, fout lijkt te gaan. En je hebt het gevoel dat je helemaal vast zit, maar dit is niet zo! Onthoud dat als je het op wilt geven, soms dingen eerst helemaal fout moeten gaan voordat het goed gaat. Het leven is zwaar, maar jij bent sterker.

Bron: Herhealth.nl 

11 simpele trucs om minder te piekeren

 

Heb je soms het gevoel dat je aan veel te veel dingen tegelijk aan het denken bent? Erger nog, je maakt je constant zorgen om al dan niet nutteloze dingen. Blijf je in een vicieuze piekercirkel zitten? Gebruik dan deze tips om die te doorprikken.
 

  1. Wees bewust
    Je bent je er niet altijd bewust van dat je aan het piekeren bent. Stap 1 is dus om opmerkzaam te zijn en te weten dat jij je zorgen aan het maken bent. Voel je plots dat je je gestrest voelt? Distantieer je even van de situatie en her-evalueer de context. Eens jij je bewuster bent van je piekerreflex, zal deze slechte gewoonte je sneller opvallen en kan je ingrijpen.
     
  2. Vraag om anderen hun mening
    Raak je toch niet uit een situatie of probleem en begin je je er op suf te piekeren? Consulteer een collega of een vriend(in). Soms staren we onszelf blind… Een frisse kijk op een probleem is vaak het perspectief dat je nodig hebt. Met twee ben je sterker dan alleen.
     
  3. Blijf positief
    Je zorgen maken gebeurt vaak uit angst. In je hoofd maak je dan al snel een lijstje met dingen die fout zouden kunnen lopen. Probeer in de plaats eens om aan alle dingen te denken die wél goed kunnen gaan. Focus daarop.
     
  4. Zoek afleiding
    Heb je een piekeraanval? Verander eens van omgeving. Ga iets anders doen. Even een nieuwe locatie of andere bezigheid kan je hele gedachtenproces omgooien. Je kan ook een nieuwe activiteit opnemen waar je je energie in kwijt kan en jij meer controle over je gedachten krijgt. Ga daarom even een rondje joggen, dans de stress eruit, brei, of leer een nieuw instrument.
     
  5. Creëer visuele stopsignalen
    Plak een geschreven briefje dat je eraan herinnert om te stoppen met je zorgen te maken op je bureau of op de spiegel. Visuele hulpmiddelen kunnen je helpen om bewuster met je gedachten om te springen. Ze zijn een hint als je weer even op automatische piloot je stress aan het opjagen bent.
     
  6. Wees niet te perfectionistisch
    Alles kan niet altijd perfect zijn. Hoe geweldig het gevoel ook is als alles tot in de details klopt, vaak leidt dit ook tot teleurstelling en faalangst. Probeer daarom je perfectionisme te vervangen door een gevoel van voldoening als je gewoon vooruitgang boekt.
     
  7. Stel jezelf een goede afloop voor
    Focus op een goede afloop. Verwerk het in je ochtendmeditatiesessie, je schietgebedje of herhaal het gewoon voor jezelf. Door jezelf te richten op het einddoel, kan jij je angst een beetje beter in de hand houden en jezelf beter motiveren.
     
  8. Stel een timer in
    Geef jij jezelf te veel tijd om een beslissing te maken? Dan creëer je ook ruimte om te panikeren en elk mogelijk negatief scenario op te bouwen. Je zal jezelf te veel perspectieven en mogelijkheden beginnen voorstellen, en uiteindelijk zit je met meer stress dan voorheen. Zorg daarom dat je op voorhand een tijdslimiet opstelt. Bepaal hoelang jij over een probleem of onderwerp mag nadenken alvorens je een beslissing moet maken. Stel je tijd bij aan de hand van de complexiteit van het probleem en de grootte van je beslissing.
     
  9. Leer loslaten
    Hou je graag de teugels strak in handen? Laat ze soms even vieren… Eventjes de controle uit handen geven, kan je een hoop zorgen besparen. Als je stopt met alles zelf te doen, kan je de verantwoordelijkheid leren delen. Dat is een hoop stress die al van je schouders valt. Niet alles kan in jouw macht liggen.
     
  10. Omring jezelf met positieve mensen
    Maak jij je snel zorgen dan is iemand die die zorgen bevestigt wel de laatste persoon die jou moet aanmoedigen. Twee piekeraars helpen geen een, hoe goed hun bedoelingen ook zijn. Omring je daarom met mensen die positief in het leven staan. Zo bekijk je de dingen ook eens door een iets rozere bril en krijg je een nieuw perspectief.
     
  11. Leef nu
    In plaats van altijd te denken wat er allemaal volgende week en volgende maand kan misgaan, sta eventjes stil bij wat er nu goed gaat. Vergeet niet om terug te blikken op de geslaagde momenten in het leven en om te genieten van wat jij nu aan het doen bent. Overanalyseer het verleden niet en pieker je niet suf over wat nog moet komen.

Natuurlijk wil jij al je opdrachten tot een goed einde brengen. Niemand wil je aanmoedigen om te slabakken of je voeten aan projecten te vegen. Het is een mooie eigenschap dat jij inzit met je werk, medemens, problemen in plaats van alles zomaar aan het lot over te laten. Maar soms moet je dingen uit handen durven geven en het zijn beloop laten gaan. Op een bepaald punt, haalt piekeren niet meer uit en maak je je zorgen om niets (of toch niets waar jij iets aan kan veranderen). Mindful, gefocust, positief en bewust je tijd besteden is de boodschap. Zo mis je niets, leer je bij en herpak je jezelf sneller, zodat je er weer met volle moed tegenaan kan.

Bron: Jobat.be

‘Je zal het maar hebben’ uitzending over psychose

Lerrie Grooten (29) lijdt aan schizofrenie. Hij heeft al twee keer een psychose gehad en in ‘Je zal het maar hebben’ vertelt hij hoe heftig dat is. Ook Tim Hofman ervaart hetEn wordt na een halve minuut in psychose al helemaal gek, zo meldt Lindanieuws.nl.

Angsten en hallucinaties
Psychoses worden in het programma beschreven als “periodes waarin het contact met de realiteit ernstig is verstoord en waarbij je te maken krijgt met angsten, waangedachten en hallucinaties”. Ook Lerrie werd twee keer opgenomen in een psychiatrische kliniek, omdat hij in een psychose zat.

Aan de betere hand
Daardoor is hij achteruitgegaan en kan hij veel dagelijkse activiteiten niet meer doen. Hij heeft een cognitieve beperking en kan moeilijk kennis opnemen en verwerken. Zijn IQ is door de psychoses gedaald van 126 naar 106. Hij kan geen auto meer rijden en maximaal drie uur per dag werken. Inmiddels gaat het wel beter en steekt Lerrie zelfs de draak met zijn aandoening.

In psychose
Presentator Tim Hofman besluit een psychose in te gaan om te ervaren hoe heftig dat is. Hij krijgt een simulator om die ervoor zorgt dat de realiteit en perceptie door elkaar lopen. En omdat buitenstaanders vaak niet doorhebben dat iemand een psychose heeft, krijgt Tim daar ook mee te maken. Een acteur doet namelijk alsof hij niks doorheeft en blijft maar tegen Tim aanpraten. Dat het niet niks is moge meteen duidelijk zijn: na een halve minuut wordt Tim gillend gek en zegt: ‘Stop!’.

Helemaal kapot
Na de ‘psychose’ kan Tim niks anders zeggen dan: ‘Heftig, heftig, heftig’. De presentator is naar eigen zeggen “helemaal kapot” van zijn psychose die niet langer dan een halve dag heeft geduurd, en dat terwijl Lerrie zo’n drie maanden achter elkaar in psychose zat.

Bekijk de uitzending van Je zal het maar hebben hier terug.

Bron: lindanieuws.nl

Wil je meer weten over schizofrenie? Of een training psychopathologie in algemene zin? We denken graag met je mee voor een training op maat. 

 

Ervaringsdeskundigen maken opmars in het sociaal domein

Uit een peiling van Movisie onder lidorganisaties van Sociaal Werk Nederland blijkt dat ongeveer de helft van hen ervaringsdeskundigen inzet en 13% overweegt om dat te doen. De cijfers zijn op 24 april gepresenteerd door prof. dr. Saskia Keuzenkamp tijdens het Jaarcongres Inzet van ervaringsdeskundigheid. De enquête is een start voor onderzoek naar de meerwaarde van de inzet met ervaringsdeskundigen.

De inzet van ervaringskennis en ervaringsdeskundigen in het sociaal domein is nieuw en veelbelovend. Ervaringsdeskundigen kunnen goed aangeven wat de noden en behoeften van kwetsbare burgers zijn, waar barrières liggen, en waar oplossingen gevonden kunnen worden. Maar in hoeverre werken organisaties in het sociaal domein nu al met ervaringsdeskundigen?

Aan de enquête van Movisie en Sociaal Werk Nederland deden ruim 90 organisaties mee. Bij 55% daarvan zijn ervaringsdeskundigen actief en 13% overweegt om ervaringsdeskundigen in te zetten.

Verschillende rollen

Ervaringsdeskundigen zijn in verschillende rollen werkzaam. Dat kan als vrijwilliger zijn, maar ook betaald. Bij de ondervraagde organisaties die ervaringsdeskundigen inzetten, is dat het vaakst als vrijwilliger (78% van deze organisaties noemt dit). Bij 29% zijn er (ook) betaalde medewerkers specifiek voor ervaringsdeskundigheid, bij 24% (ook) betaalde medewerkers in een combinatiefunctie (ondersteuner met ervaringsdeskundigheid) en bij 18% worden ervaringsdeskundigen op andere wijze ingezet, bijvoorbeeld als stagiair.

Specifieke focus

Circa een derde van organisaties zet ervaringsdeskundigen breed in, maar bij een groot deel van de organisaties hebben de ervaringsdeskundigen een specifieke focus: armoede en schulden (29%), psychiatrische problematiek (20%), en sociale uitsluiting (14%) worden het meest genoemd. Sommige noemen verslaving als specifieke focus (6%), sommige huisvesting (2%) en sommige participatie of huiselijk geweld.

Bij 51% van de deelnemende organisaties worden ervaringsdeskundigen ingezet voor individuele hulp en ondersteuning, bij 33% voor co-begeleiding en bij 12% zijn de ervaringsdeskundigen lid van een sociaal (wijk)team. Bij 43% worden ervaringsdeskundigen ‘anders’ ingezet bijvoorbeeld als vrijwilliger, in projecten, of bij trainingen. Ook hier waren meerdere antwoorden mogelijk waardoor het totaal meer dan 100% is.

Prof. dr. Saskia Keuzenkamp van Movisie

‘Het is een eerste peiling, een eerste stap in het dichten van een kennislacune. Behalve zicht op hoe en waar ervaringsdeskundigen worden ingezet, is er vooral onderzoek nodig naar de vraag of en zo ja voor wie en onder welke omstandigheden de inzet van ervaringsdeskundigen werkt. Movisie gaat daar een actieve rol in vervullen.’

Meer lezen

Meer over het jaarcongres Inzet van ervaringsdeskundigheid

Movisie over ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid:

Bron: movisie.nl

Leg oorzaak agressie in de zorg niet altijd bij de patiënt neer

Er wordt veel gereageerd op de uitzending van De Monitor over Agressie in de zorg. Niet alleen door hulpverleners uit de geestelijke gezondheidszorg (ggz), ook psychiatrisch patiënten laten zich horen. Om recht te doen aan hun kant van het verhaal hier een aantal van hun reacties.

‘Beste redactie, Ik voel me genoodzaakt om te reageren op jullie laatste uitzending over agressie binnen de psychiatrie. Ik ben “helaas” zes jaar lang zwaar psychiatrisch patiënt. Ook ik ben gewelddadig geweest en heb isoleercellen gezien. Daar ben ik niet trots op. Agressie is niet uit te sluiten binnen de psychiatrie en absoluut niet goed te keuren, maar leg het niet altijd bij de patiënt neer. Als je dagenlang om hulp roept en vraagt of je a.u.b. de psychiater mag spreken en het gebeurt gewoonweg niet… of de verpleging is er Oost-Indisch doof voor… tja dan ga je wel eens hard vloekend tekeer.’

Frustratie

Over de oorzaken van agressie wordt volop gediscussieerd. Volgens deze patiënt ligt het  aan de geestelijke gezondheidszorg zélf dat patiënten agressief worden: ‘Helaas, ook nu weer wordt de daadwerkelijke reden van de toename van agressie niet genoemd, namelijk het achteruitgaan van de kwaliteit van de verpleging. En de dokters-in-opleiding die voor psychiater moeten spelen en die een half uurtje per week voor je hebben.’

‘Ik wil het geweld zeker niet goedpraten, maar in de uitzending ontbrak mijns inziens het verhaal over wat de patiënt wordt aangedaan,’ schrijft een mannelijke patiënt. ‘Ik wilde na vier jaar vruchteloos behandelen, stoppen met de behandeling. Twee uur na het gesprek met de arts stond de politie aan de deur. Ik werd meegenomen naar het politiebureau en behandeld als een crimineel: vijfeneenhalf uur in een cel en geen eten of drinken,’ vertelt hij. De man wordt uiteindelijk overgebracht naar een gesloten afdeling. ‘Tijdens de opname heb ik uit pure frustratie een verpleegkundige verbaal “aangevallen”.’

Machtspositie

‘Ik zie in de uitzending sterke voorbeelden naar voren komen over agressie tegen hulpverlening, wat ik zeer ernstig vind,’ mailt een patiënt. ‘Maar ik wil ook een andere kant schetsen. Ik werk zelf als ervaringsdeskundige in de (psychiatrische) zorg en kan dit onderwerp zowel vanuit cliëntperspectief als vanuit hulpverleningsperspectief bekijken. In de tijd dat ik cliënt was, ben ik ook enkele malen agressief geweest tegen hulpverlening. Waar ik behoefte aan had, werd weinig rekening mee gehouden en soms al snel de kop ingedrukt. Doordat er vaak aan mij voorbij werd gegaan, wekte dit soms agressie op.’

Hulpverleners dragen ook bij aan het escaleren van geweld, schrijft een ander. ‘Als de cliënt een klacht tegen een gewelddadige hulpverlener indient – en dat heb ik vaak genoeg geprobeerd – maak je nagenoeg nooit kans van slagen. Ik heb genoeg hulpverleners meegemaakt die misbruik maken van hun machtspositie. In plaats van de-escalerend te werken, jutten zij juist op!’

Betere bedden

‘Mensen opsluiten en gedwongen medicijnen geven, wekt ook vaak agressie op,’ vertelt een patiënt. ‘Al is het alleen maar vanwege de bijwerkingen van de medicijnen. Ik werd daar zelf ook extreem agressief en zelfdestructief door.’ Er zijn ook maatregelen die agressie kunnen voorkomen, vindt zij. ‘Als het hele systeem verandert, mensen met emoties niet meer als ‘ziek’ worden bestempeld en standaard medicijnen krijgen, als de deuren open blijven, als het wat prettiger ingericht is, als er meer aandacht en tijd voor de individuele cliënt is, als er wat meer (naasten)liefde is naar de cliënten, dan creëer je een andere atmosfeer die vriendelijker is en dan krijg je minder agressie. Daar heb je niet meer bedden voor nodig. Daar heb je betere bedden voor nodig.’

Bron: demonitor.kro-ncrv.nl

Bovenstaande beeld herkennen wij ook in onze trainingen. Lees verder over onze visie en trainingsaanpak in onderstaand blog artikel.

Naar agressie hoef je niet te luisteren… Toch?!

Wil je meer leren over hoe jij of je team met agressie om kunt gaan? We komen graag met je in contact om mee te denken. Neem vrijblijvend contact op met Joris de Heer.

De Monitor: 80% van hulpverleners in psychiatrie te maken met agressie en geweld patiënten

Afgelopen week ging de uitzending van onderzoeksprogramma De Monitor (KRO-NCRV) over agressie en geweld van cliënten tegen hulpverleners in de psychiatrie. In de uitzending (en online) laat men o.a de resultaten zien van een enquête afgenomen onder werknemers in de GGZ.

Ruim tachtig procent van de hulpverleners in de psychiatrie heeft de afgelopen vijf jaar verbaal én fysiek geweld meegemaakt. Een derde geeft zelfs aan enkele keren per week met agressieve patiënten te maken te hebben. Dat blijkt uit onderzoek van De Monitor (KRO-NCRV) voor een uitzending over agressie tegen hulpverleners in de psychiatrie. Deze cijfers zijn afkomstig uit een enquête onder hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) in samenwerking met de beroepsorganisatie voor verpleging en verzorging NU’91. 

Het type geweld dat het hoogst scoort, is schelden (97,96%), gevolgd door poging tot fysieke agressie (82,23%), gooien met voorwerpen of vloeistof (68,24%), slaan/stompen/schoppen (66,98%), duwen/trekken/vasthouden (62,26%) en spugen (52,20%). Deze resultaten zijn afkomstig van 636 respondenten. 

Gedwongen ontslag agressieve patiënten

‘Het gaat om een relatief kleine groep patiënten die verantwoordelijk is voor de grote hoeveelheid geweldsincidenten,’ aldus Gerco Blok, psychiater en lid van de Raad van Bestuur van de Zeeuwse ggz-instelling Emergis. Volgens Blok moeten deze patiënten doorgeplaatst worden naar forensische afdelingen of klinieken, waar meer beveiliging en toezicht is dan in reguliere ggz-instellingen. Maar zonder strafrechtelijke vervolging lukt het vaak niet om patiënten overgeplaatst te krijgen. Agressieve patiënten blijven daardoor te lang binnen de muren van een gewone ggz-instelling. In sommige gevallen worden deze patiënten zelfs gedwongen ontslagen, omdat zij anders een te groot gevaar vormen voor hulpverleners en medepatiënten binnen de instelling, aldus Blok.

Slechts tien procent zaken vervolgd

Aangifte doen van dit geweld heeft alleen niet altijd zin. Want ondanks de ernst van sommige geweldsincidenten blijft vervolging door het Openbaar Ministerie vaak achterwege. Dat vertelt Joke Harte, onderzoeker aan de Vrije Universiteit, in de uitzending van De Monitor. Zij onderzocht ruim 2.600 geweldsincidenten die door ggz-medewerkers waren gemeld. 704 daarvan leidden er tot een aangifte en slechts tien procent daarvan resulteerde in een strafvervolging.

‘Een schrikbarend laag aantal,’ vertelt Harte. Terwijl het vaak geen kleinigheid is waar medewerkers aangifte van doen. Zo vertelt Harte een verhaal over een verpleegkundige die de cel werd ingetrokken door een patiënt om haar daar te verkrachten. De verpleegkundige doet aangifte van het incident, maar dan hoort ze van het Openbaar Ministerie dat ze haar zaak gaan seponeren. ‘De gedachte van het OM was: ‘Deze patiënt is ziek, en dus ontoerekeningsvatbaar.’ Maar of die patiënt werkelijk ontoerekeningsvatbaar is, wordt niet onderzocht. En daar heb je het dan als hulpverlener mee te doen,’ aldus Harte.

‘Hulpverleners binnen de psychiatrie zijn onvoldoende beschermd’

Harte en Blok vinden dan ook dat aangiftes van hulpverleners in de psychiatrie meer serieus genomen moeten worden. ‘Je moet een duidelijk signaal kunnen afgeven van dit accepteren wij hier niet. Patiënten moet je namelijk ook aanspreken op hun gezonde kant. Het is dan heel frustrerend als het Openbaar Ministerie je zaak seponeert zonder het te onderzoeken. In de praktijk heeft de patiënt dan eigenlijk een vrijbrief om geweld te gebruiken tegen het personeel. Hulpverleners binnen de psychiatrie zijn onvoldoende beschermd,’ aldus Harte.

De Monitor, Agressie tegen hulpverleners in de psychiatrie, dinsdag 24 april op NPO2 om 21.25 uur. 

Bron: persbericht

Wil je meer leren over hoe jij of je team met agressie om kunt gaan? We komen graag met je in contact om mee te denken. Neem vrijblijvend contact op met Joris de Heer.

CAMPAGNE ZET ERVARINGSKENNIS IN VAN START

Tijdens de landelijke Dag van de ervaringsdeskundige op 6 april is de campagne ‘Zet ervaringskennis in’ gelanceerd. De campagne roept een brede doelgroep op om meer ervaringskennis in te zetten. De ervaringsdeskundigen Evi, Tofik en Paola vertellen hun verhaal in korte video’s en zijn te zien als campagneboegbeelden.

De campagne is nodig, vindt de RIBW Alliantie. De belangenbehartigersorganisatie van 21 RIBW’s initieert de campagne. ‘Er is helaas nog veel onbekendheid over het inzetten van ervaringskennis in de psychiatrie,’ zegt Artie van Tuijn, voorzitter van de RIBW Alliantie. ‘Steeds meer onderzoeken bewijzen dat het inzetten van ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid naast reguliere zorg betere ondersteuning biedt. Toch vinden wij dat er te weinig gebruik van wordt gemaakt. En dat terwijl het ook nog eens redelijk eenvoudig is. Bijna iedereen kent wel iemand die ervaringskennis heeft. Dat moet beter ingezet worden, met name in het gemeentelijk domein.’

Op de campagnewebsite www.ervaringskennis.nu zijn per regio contactpersonen te vinden. Zij geven adviezen en tips op maat. Denk bijvoorbeeld aan informatie voor mensen die hun ervaringskennis zelf willen inzetten. Of hoe medewerkers bij zorgorganisaties een dag mee kunnen lopen met een ervaringsdeskundige. En ook hoe beleidsmakers bij (lokale) overheden zich kunnen opgeven voor een gratis toetsing van hun beleid door iemand met ervaringskennis.

Ervaringsdeskundige Paola van den Noordt, vertelt het zo: ‘Ik geef aan beleid de beleving mee. Ik heb een andere sensor voor de uitwerking van beleidsplannen. Omdat ik het zelf heb meegemaakt én omdat ik in het werk als ervaringsdeskundige veel collectieve ervaringskennis hebt opgebouwd.’

Mensen in het hele land staan klaar hun kennis in te zetten. De website zal gedurende het jaar aangroeien met meer initiatieven om ervaringskennis in te zetten. Meer weten? Kijk op www.ervaringskennis.nu

Bron: GGZ Nederland

‘Vereenvoudigde loonkostenregeling nadelig voor mensen met arbeidsbeperking’

 

 

 

Het kabinet wil voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt de loonkostensubsidie vervangen door loondispensatie. Dat betekent dat de werkgever aan iemand met een arbeidsbeperking minder dan het minimumloon mag betalen. Branchevereniging Cedris waarschuwt dat dit voor de kwetsbare groep mensen om wie het gaat zeer nadelig uitpakt.

Meer dan de helft van de mensen met een arbeidsbeperking heeft geen werk, terwijl het overgrote deel van hen wel wíl werken. Denk aan de overbuurman die door autisme niet veel prikkels aan kan, de leerling van het speciaal onderwijs die wat meer tijd nodig heeft om een klus te klaren of het nichtje dat zich af en toe moet afsluiten om het hoofd weer op orde te krijgen. Ook zij willen eigen geld verdienen, erbij horen en zijn waardevol op de werkvloer.

Staatssecretaris Tamara van Ark wil het makkelijker voor werkgevers maken om deze mensen aan te nemen. Zij stuurde daarvoor een voorstel naar de Tweede Kamer voor invoering van loondispensatie in de Participatiewet. Daarmee hoopt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op termijn ruim 200.000 mensen met een beperking aan werk te helpen.

Verschil in regels verdwijnt
Ze wil hiermee de vele regelingen vereenvoudigen voor werkgevers, als er mensen bij hen komen werken die door een arbeidsbeperking niet het minimumloon kunnen verdienen. Nemen ze iemand met een Wajonguitkering in dienst, dan betalen ze alleen loon voor het deel dat iemand kan produceren (loondispensatie). Gaat iemand nu vanuit de bijstand werken, dan betaalt de werkgever een volledig loon voor de gewerkte uren en krijgt hij subsidie van de gemeente (loonkostensubsidie). Wie in deeltijd werkt, krijgt dan vaak nog een aanvulling vanuit de uitkering.

Dat verschil in regels verdwijnt met het plan van de staatssecretaris voor werkgevers. Het kabinet wil het voor ondernemers eenvoudiger maken, zodat meer werkgevers mensen met een beperking in dienst nemen en houden. Bij nieuwe contracten hoeven de werkgevers alleen te betalen voor wat iemand kan produceren, ongeacht de achtergrond van de werknemer (Wajong of Participatiewet): het instrument dat kan worden ingezet is hetzelfde.

Dus als iemand door een beperking minder snel werkt of minder kan dan een ander en daardoor niet het minimumloon kan verdienen, hoeft de werkgever ook voor mensen die vanuit de bijstand gaan werken niet het hele loon te betalen. Hoe hoog dat loon is wordt objectief vastgesteld en aangevuld met een uitkering voor de werknemer tot minumumloon.

‘Dit betekent dat iemand nooit een volwaardig werknemer wordt’

Job Cohen, voorzitter van branchevereniging Cedris hierover: “Ook voor de mensen die wél een aanvulling krijgen, betekent dit dat iemand nooit een volwaardig werknemer wordt. Hij blijft zijn hele loopbaan gedeeltelijk afhankelijk van een uitkering. Bovendien wordt de uitvoering verlegd van de werkgever naar de kwetsbare werknemer, met een groot risico op schulden.”

Naast plussen ook minnen
De staatssecretaris erkent dat de nieuwe regeling naast plussen ook minnen heeft. Wat voor het kabinet het zwaarst weegt, is dat meer mensen de kans krijgen om aan het werk te komen.

Dat gaat wel ten koste van het aanvullend pensioen en WW van mensen met een arbeidsbeperking. Deze rechten worden immer opgebouwd over loon, niet over de uitkering. Doordat de werknemer een lager loon ontvangt, bouwt hij minder aanvullend pensioen en WW op dan bij de regels die nu gelden.

Bijstand is er voor mensen die niet zelf in hun bestaan kunnen voorzien. Heb je geen recht op een uitkering, bijvoorbeeld door een werkende partner of eigen vermogen, dan houdt de werknemer minder over dan mensen met een beperking die onder de huidige regels werken, maar meer dan als hij niet zou werken.

Geen behoefte aan
Uit onderzoek van Cedris blijkt dat ruim zeventig procent van de werkgevers die werken met loonkostensubsidie geen behoefte heeft aan het nieuwe instrument loondispensatie. Tachtig procent van hen is positief tot zeer positief over het huidige instrument loonkostensubsidie. En ruim zestig procent heeft negatieve verwachtingen van het nieuwe instrument loondispensatie.

Eerder al spraken zo’n 20 organisaties zich in verschillende media uit tegen loondispensatie. Het betreft zowel werknemersvertegenwoordigers, cliëntenorganisaties, brancheorganisaties als deskundigen.

Goedkoper
Deze manier van werken kost de overheid minder dan de regeling die er nu is. Met het geld dat overblijft, moeten gemeenten om met een beperking helpen bij werk of door banen te creëren voor mensen die veel ondersteuning nodig hebben.

De ondersteuning die er nu al is om mensen met een arbeidsbeperking aan werk te helpen, zoals een jobcoach, aanpassingen op de werkvloer en het risico dat de overheid op zich neemt als deze mensen ziek worden, blijven bestaan.  

Bron: klik 

Meedoen in de samenleving met een beperking nog altijd niet vanzelfsprekend

 
 
Meedoen in de samenleving met een beperking nog altijd niet vanzelfsprekend

De participatie van mensen met een beperking is vanaf 2012 stabiel, maar blijft achter bij mensen in de algemene bevolking. Zo hebben ze minder vaak werk en kunnen ze niet altijd kiezen waar ze willen wonen. Dit blijkt uit panelonderzoek dat het Nivel uitvoerde in samenwerking met het Trimbos-instituut en in opdracht van het College voor de Rechten van de Mens.

In 2016 hebben mensen met een beperking veel minder vaak betaald werk dan de algemene bevolking. In de algemene bevolking heeft bijna driekwart betaald werk, terwijl dit onder mensen met een lichamelijke beperking 36% is en onder mensen met een psychische aandoening slechts 22%. Dit was ook al zo in 2012. Ook blijft het verschil in het gebruik van een aantal specifieke buurtvoorzieningen in deze periode bestaan. Van de mensen met een lichamelijke beperking of psychische aandoening gebruikt in 2016 respectievelijk 66% en 40% regelmatig buurtvoorzieningen. Onder de algemene bevolking is dit 74%. 

De vrijheid om te kiezen waar en met wie je woont is niet vanzelfsprekend voor alle mensen met een verstandelijke beperking of een psychische aandoening. Nog geen tiende van de mensen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte heeft behoefte aan (verdere) aanpassingen of voorzieningen in de woning. De helft van de mensen die vroegen om zo’n aanpassing of voorziening, kregen deze ook. De andere helft niet.

Kleine verbeteringen
Uit het onderzoek blijkt dat voor enkele groepen de toegankelijkheid van een aantal voorzieningen de afgelopen jaren is verbeterd: 83% van de mensen met een verstandelijke beperking zegt in 2016 makkelijk bij voorzieningen te kunnen komen terwijl dat in 2012 75% was. Mensen met een chronische ziekte vinden het openbaar vervoer iets toegankelijker geworden.

Monitoring VN-verdrag
Het doel van het VN-Verdrag inzake de rechten van mensen met een handicap (Convention on the Rights of Persons with Disabilities; CRPD) is de volledige inclusie van personen met een beperking in de maatschappij. In 2016 ratificeerde Nederland dit verdrag. Het College voor de Rechten van de Mens is aangewezen als monitoringsorganisatie voor de naleving van het verdrag in Nederland. Zij gaan onder andere aan de hand van deze uitkomsten vaststellen of de naleving van het verdrag goed verloopt. Het College rapporteert en adviseert over de uitkomsten aan het CRPD-comité en (lokale) overheden.

Methode
In dit onderzoek is gekeken of mensen met een beperking in Nederland op gelijke voet met anderen meedoen in de samenleving, op het gebied van zelfstandig wonen en werken. Hiervoor zijn achttien getalsmatige indicatoren gemeten in een grootschalig vragenlijstonderzoek. Om de doelgroepen van het VN-verdrag te bereiken zijn het Nationaal Panel Chronisch zieken en Gehandicapten en het Panel Samen Leven van het Nivel en het Panel Psychisch gezien van het Trimbos-instituut gebruikt. De vergelijking met de algemene bevolking werd mogelijk door Nederlandse burgers in het Nivel Consumentenpanel te ondervragen. De vragen die zijn gebruikt voor de indicatoren zijn gesteld in 2016 of 2017. Wanneer ze ook al in 2012 waren gesteld, vond een vergelijking plaats om de toe- of afname van een indicator te onderzoeken.

Bron: Nivel 

10 vragen over de bipolaire stoornis

10 vragen over de bipolaire stoornis

10 vragen over de bipolaire stoornis

Pieken en dalen horen bij het leven. Soms bruis je van de energie, terwijl je de andere keer niets voor elkaar kunt krijgen. Gelukkig gaan dit soort fasen vaak weer snel voorbij. Maar voor mensen met een bipolaire stoornis is dit een ander verhaal. Zij kunnen zich zo somber en wanhopig voelen dat ze zelfs aan zelfmoord beginnen te denken. Of ervaren zo veel optimisme en kracht dat ze ervan overtuigd zijn de hele wereld aan te kunnen. Hoe ontstaan dit soort extreem wisselende stemmingen en wat is er aan te doen? Wij vroegen het Ralph Kupka, hoogleraar Bipolaire Stoornissen aan het VU Medisch Centrum.

1. Wat is een bipolaire stoornis?

“Een bipolaire stoornis is een psychiatrische aandoening waarbij de stemming en activiteit zijn verstoord. Het wordt ook wel manisch-depressieve stoornis genoemd. Meer specifiek houdt het in dat mensen een aantal weken of maanden depressief kunnen zijn, waarna ze een periode van extreme energie en optimisme (manie) ervaren. Soms is hun stemming nadien jarenlang stabiel, maar het komt ook voor dat deze episoden zich kort na elkaar afwisselen.

Daarbij is opvallend dat deze depressieve en manische fasen erg verschillen van hoe mensen zich normaal voelen en gedragen. Over het algemeen functioneren zij zoals iedereen, alleen kan een stressfactor tot extreme stemmingswisselingen leiden. Soms ontstaan de episoden ook zonder enige aanleiding.

Bovendien kunnen de manische en depressieve fasen zich in verschillende gradaties voordoen. De ene keer verlopen ze heel licht, maar een andere keer kan het zelfs tot psychotisch gedrag en waanbeelden leiden. Dit maakt de bipolaire stoornis dan ook een zeer ingewikkelde aandoening.”

2. Hoe vaak komt het naar schatting voor?

“Een bipolaire stoornis komt voor bij ongeveer anderhalf procent van de Nederlandse volwassen bevolking. Wereldwijd zijn deze cijfers ongeveer hetzelfde, namelijk tussen de 1 en 2 procent. Daarentegen heeft ongeveer 20 procent van de bevolking ooit een ‘gewone’ depressie meegemaakt. Het is dus een vrij zeldzame aandoening.”

3. Is er iets bekend over de onderliggende oorzaken?

“Onderzoeken bij families en tweelingen hebben aangetoond dat er een sterke erfelijke component aanwezig is bij mensen met een bipolaire stoornis. Het wordt dus voor een deel genetisch bepaald. Maar de precieze, achterliggende oorzaak weten we niet. Dit valt vooralsnog ook niet met hersenscans of bloedtesten af te lezen.

Daarnaast kunnen ook omgevingsfactoren een rol spelen. Mensen die een genetische aanleg hebben om een bipolaire stoornis te ontwikkelen, kunnen als gevolg van stressvolle of traumatische gebeurtenissen een episode krijgen. Bij een depressie gaat het vaak om een verlies en bij een manische episode om doelgerichte zaken, zoals een nieuwe baan of nieuwe relatie. Deze gebeurtenissen roepen veel activiteit op, waar de persoon vervolgens in kan doorslaan.”

4. Wat zijn de consequenties van een bipolaire stoornis?

“Wanneer iemand depressief is, komt diegene tot niets. In het ergste geval kan een depressie leiden tot suïcide. Bij een manische episode kan iemand zo ontremd raken dat hij of zij grote brokken maakt. Voorbeelden zijn vreemdgaan, ruzie maken op het werk of impulsieve dure aankopen doen. Er is vaak sprake van roekeloos gedrag.

In feite doet de persoon dingen die wij misschien allemaal wel zouden willen doen, maar laten vanwege de mogelijke gevolgen. De ongeremde manische patiënt kan dit niet meer inschatten. Uiteindelijk kan dit grote schade tot gevolg hebben, zoals relatiebreuk, ontslag of financiële schulden.”

5. Bestaan er stigma’s over de bipolaire stoornis?

“Ja, deze zijn er zeker. Ze worden met name opgeroepen door mensen die manisch zijn en chaos veroorzaken. Als je bijvoorbeeld op het werk manisch wordt en even haarfijn gaat uitleggen hoe slecht het allemaal in elkaar steekt, kan je in serieuze problemen komen. Je wordt dan al gauw als ‘gek’ bestempeld en moet met een wel heel sterk verhaal komen om je gedrag later uit te leggen. We noemen dat reputatieschade.

Depressie is daarentegen een stuk minder gestigmatiseerd. De reden hiervoor is dat het inmiddels een bekender ziektebeeld is. Ook zijn de meeste mensen zich ervan bewust dat het iedereen kan overkomen.

Ten slotte is er ook nog het zogenoemde zelfstigma. Mensen met een bipolaire stoornis gaan dan twijfelen aan hun eigen gemoedstoestand. Wanneer ze zich bijvoorbeeld opgewekt voelen, vragen ze zichzelf af of dit een gezonde blijdschap is of dat ze beginnend manisch aan het worden zijn. Dit goed inschatten kan erg lastig zijn. Niet alleen voor de persoon zelf, maar ook voor de omgeving. Je kunt niet meer helemaal op jezelf vertrouwen.”

6. Gaat een bipolaire stoornis weleens gepaard met andere aandoeningen?

“Uit Amerikaanse studies is gebleken dat bijna 95 procent van de mensen met een bipolaire stoornis ook nog een andere diagnose heeft. Dit kunnen bijvoorbeeld angststoornissen en persoonlijkheidsstoornissen zijn, maar verslavingen staan stipt op één. Soms gebruiken patiënten drugs en alcohol om minder somberheid te voelen. Deze middelen worden dan een manier om met de extreme stemmingswisselingen om te gaan.”

7. Hoe wordt een bipolaire stoornis vastgesteld?

“Dit gebeurt, net als bij elke andere psychiatrische aandoening, via een gesprek met de persoon over zijn of haar stemming en activiteit van de afgelopen tijd. Maar ook een gesprek met een naastbetrokkene is belangrijk voor een diagnose.

In het geval iemand zich depressief voelt, zal hij of zij hier zelf mee naar de dokter of een psycholoog gaan. Er is dan sprake van lijden. Maar wanneer een persoon manisch is, lijdt hij of zij hier in eerste instantie niet onder. Er is juist sprake van optimisme, veel energie en je heel goed voelen. Mensen om deze persoon heen zullen dit echter als afwijkend herkennen en het als teken zien dat het niet goed gaat met hem of haar.”

8. Wat zijn de behandelmethoden?

“Ten eerste dient de diagnose zorgvuldig te worden vastgesteld. Hierbij is het belangrijk dat de patiënt voldoende uitleg krijgt en voorlichting over de behandeling. Vaak gebeurt dit in groepen en wordt ook wel psycho-educatie genoemd. Daarnaast is er een stuk zelfmanagement. Hierbij leren mensen om zelf aan te voelen wanneer ze zich in een beginnende episode bevinden en maatregelen te nemen om deze binnen de perken te houden. Vaak is dit een proces van voortschrijdend inzicht.

Daarnaast krijgt bijna iedereen medicatie. Meestal wordt hier in de acute fase mee gestart, en gaat iemand er enige tijd mee door om het herstel te bestendigen. Sommige mensen slikken de medicijnen gedurende zeer lange tijd om een nieuwe episode te voorkomen.

Ten slotte zullen patiënten een vorm van psychotherapie krijgen. Hierbij leren ze manieren om met angst en somberheid om te gaan. Daarnaast kunnen gesprekken helpend zijn bij dagelijkse problemen en stressfactoren.”

9. Valt er goed met een bipolaire stoornis te leven?

“Ja hoor, indien mensen een goede behandeling en passende medicatie gevonden hebben, valt er in de meeste gevallen goed met de aandoening te leven. Zij werken, hebben een relatie, net als iedereen.

Maar er zijn ook mensen bij wie dit minder goed lukt. Een deel van hen heeft zo’n ernstige vorm dat de episoden vaak terugkeren. Het is dan vaak lastig om goede medicatie te vinden. Zij hebben een intensievere behandeling nodig en zijn vaak niet goed in staat om te werken of een opleiding te volgen.”

10. Wat kan je zelf doen in het geval je een bipolaire stoornis vermoedt?

“Meestal zullen deze vermoedens beginnen met symptomen van een depressie. Je kunt dan samen met een behandelaar uitzoeken van wat voor depressie sprake is. Vervolgens kun je bekijken of je ook weleens manische verschijnselen ervaart. Maar het herkennen van deze patronen kan soms wel enkele jaren in beslag nemen.

Daarnaast bestaan er online zelftesten, maar deze moet je altijd met een korrel zout nemen. Scoor je negatief, dan ben je er vrij zeker van dat je de aandoening niet hebt. En in het geval van een positieve uitslag, hoeft dit nog niet direct te betekenen dat je een bipolaire stoornis hebt. Wel zou je kunnen overwegen een psychiater of psycholoog te raadplegen om een zorgvuldige diagnose te laten stellen. De aandoening is echt te complex om in een simpele vragenlijst te vangen.”

Bron: Mijngezondheidsgids

Laatste trends en ontwikkelingen

Met trots presenteren we de nieuwsbrief van deze winter! De laatste trends en ontwikkelingen op het gebied van Croan Consult Training en Coaching vind je hier

Wil je ‘m de volgende keer automatisch in je mailbox ontvangen? Dat kan hieronder. Gemakkelijk en snel! 

Iedereen heeft blinde vlekken (maar zelf zie ik ze niet)

Column Ben Tiggelaar : Ben Tiggelaar is gedragsonderzoeker, trainer en publicist. Hij schrijft elke week over management en leiderschap.

Des te hoger je functie, des te groter de kans op blind spots. Blinde vlekken die je eigen functioneren en dat van je bedrijf kunnen ondermijnen. We hebben andere mensen nodig om ons te vertellen wat we zelf niet zien. Collega’s en vrienden die ons bijvoorbeeld wijzen op zwakke punten, waar we nog aan moeten werken. Maar naarmate het beter gaat met je loopbaan, gaat het slechter met de hoeveelheid en de kwaliteit van de feedback die je krijgt. De kans dat anderen je spontaan wijzen op je blinde vlekken wordt razendsnel kleiner. En dan draai je dus ineens zelf op voor het ontdekken en repareren van je tekortkomingen.

Dat is nog niet zo gemakkelijk, blijkt uit onderzoek. Een aantal jaren geleden beschreef adviseur en onderzoeker Fabio Sala dat er een duidelijke samenhang is tussen je plaats in een hiërarchie en de mate waarin je blind bent voor je eigen zwakheden. Hij liet ruim 1.200 mensen uit allerlei verschillende organisaties een test maken over zichzelf en vroeg ook de collega’s deze proefpersonen te beoordelen: een zogenaamde ‘360-graden test’. Wat bleek: de verschillen tussen de eigen beoordeling en de beoordeling door collega’s werden groter naarmate de proefpersonen hoger in de boom zaten. Dus: des te dikker de baan, des te dunner de zelfkennis.

Vraag een goede vriend of collega, iemand die je vertrouwt, regelmatig om zijn of haar ongezouten mening

Waarom zijn zelfkennis en blinde vlekken zo belangrijk voor ons? Volgens Sala toont eerder onderzoek aan dat zelfkennis bijdraagt aan de kwaliteit van management en leiderschap. Ook belangrijk: blinde vlekken kosten geld. Twee andere onderzoekers, David Zes en Dana Landis, onderzochten bijna 7.000 mensen in 486 bedrijven en stelden vast dat wanneer meer medewerkers ‘blind spots’ hebben, een bedrijf financieel slechter presteert.

Volgende vraag: wat doe je eraan? Eigenlijk liggen de antwoorden voor de hand. Als de feedback niet meer vanzelf komt, moet je hem gaan organiseren. Zorg voor mensen om je heen die zien wat jij niet ziet. Vraag een goede vriend of collega, iemand die je vertrouwt, regelmatig om zijn of haar ongezouten mening. Gebruik een kant-en-klaar 360-graden beoordelingssysteem voor het management, waarbij jouw directe collega’s je anoniem beoordelen. Of huur een kritische coach.

Nog een opvallend detail. De kans is groot dat je deze column tot nu toe met instemming hebt gelezen. Onderweg dacht je aan verschillende mensen die dit gedrag vertonen. Je herkende het blinde vlekken-probleem bij een baas of een collega.

En dát is dan weer een kenmerk van de meest interessante blinde vlek van allemaal. Gedragsonderzoeker Irene Scopelliti en haar collega’s stelden vast dat we in de regel wel geloven dat andere mensen een verkeerd beeld van de werkelijkheid en van zichzelf hebben, maar intussen denken dat het met ons eigen waarnemingsvermogen best wel snor zit. Zo van: iedereen heeft blinde vlekken, maar bij mezelf zie ik ze gelukkig niet!

Tragisch en grappig tegelijk.

Bron: NRC

Meer inzicht in jouw eigen blinde vlekken? Mogelijk is coaching wat voor jou. Neem vrijblijvend contact op om te kijken naar de mogelijkheden! 

Een verslaving kan iedereen overkomen

 

Mensen met een verslaving krijgen vaak te maken met stigmatisering. Niet alleen vanuit het algemene publiek, maar ook vanuit de hulpverleners. Leonieke van Boekel, senior onderzoeker bij Tranzo, Tilburg University, deed onderzoek naar het fenomeen.

Wat wordt er precies bedoeld met een stigma?

“Stigmatisering is een proces waarbij iemand met afwijkend gedrag als minderwaardig wordt gezien door anderen. Bij verslaving werkt dit als volgt. Eerst wordt iemand gelabeld met het etiket ‘verslaving’, waarna stereotype gedachten ontstaan. Het gevolg is dat iemand met een verslaving kan worden buitengesloten of minder status krijgen.”

Wat zijn de meest voorkomende stigma’s over verslaving en verslaafden?

“Bij de algemene bevolking zagen we met name dat mensen iemand met een verslaving persoonlijk verantwoordelijk achten voor hun verslaving. Het wordt dus gezien als iemands eigen schuld. Dit zorgt voor een negatieve houding tegenover hen. Daarnaast ontdekten we dat men de verwachting heeft dat mensen met een verslaving agressief zijn en gevoelens van angst en woede oproepen.”

Hoe komt het dat de meeste mensen een dergelijke beeldvorming bij verslaving hebben?

“We weten uit eerder onderzoek dat de verwachting dat iemand voor zichzelf verantwoordelijk is, een grote rol speelt bij negatieve houdingen. Wanneer iemand dus vindt dat de verslaving iemands eigen schuld is, zal hij of zij vaak ook negatiever zijn in zijn of haar mening. Daarnaast zagen we heel duidelijk dat mensen die minder bekend zijn met verslavingsproblemen negatiever waren. Degenen die een naaste met verslavingsproblemen hadden of in het werk ermee te maken kregen, waren milder. Onbekendheid met het probleem verslaving zorgt dus voor meer stigmatisering.”

Is deze stigmatisering ook aan de orde bij hulpverleners?

“In ons onderzoek hebben we gekeken naar de houdingen van huisartsen, zorgverleners in de GGZ en verslavingszorg. Ook bij hen vonden we negatieve attitudes. We zagen duidelijk dat zorgverleners die vaker of intensiever werkten met verslaafden een tolerantere en positievere houding hadden. Ook hier speelde dus bekendheid met het fenomeen ‘verslaving’ een rol in de mening van zorgverleners.”

En hoe zit het bij de verslaafden zelf?

“De resultaten van ons onderzoek hebben laten zien dat mensen met een verslaving zeer frequent discriminatie ervaren. Cliënten voelen zich vooral ongelijk behandeld door hun directe omgeving, zoals familie, vrienden en partners. Als we een vergelijking maken met de ervaringen bij mensen met andere psychiatrische aandoeningen, zien we dat mensen met een verslaving meer discriminatie ervaren.”

Wat zijn de gevolgen van deze attitudes voor de hulpverlening aan verslaafden?

“Hier is nog maar weinig over bekend. We weten dat zorgverleners vrij negatief zijn over mensen met een verslaving, maar de precieze consequenties zijn lastig te onderzoeken. Er zijn wel enkele aanwijzingen dat deze houding minder goede zorg tot gevolg heeft. Voorbeelden zijn minder tijd besteden aan cliënten met een verslaving of minder betrokkenheid en empathie vanuit de zorgverleners.”

Zijn er manieren om deze stigmatisering te doorbreken?

“De beste manier om stigmatisering te doorbreken is het schetsen van een realistischer beeld van verslavingsproblemen. Mensen zouden meer en betere informatie moeten hebben over verslavingen. Dit kan op verschillende manieren worden bereikt. Bijvoorbeeld door voorlichting of het aangaan van een gesprek met iemand met een verslaving. Een belangrijke boodschap is dat het iedereen kan overkomen en dat mensen net zo veel of weinig ‘schuld’ hebben aan een verslaving als patiënten met een psychische of lichamelijke aandoening.”

Bron: Mijngezondheidsgids

Meer weten over psychiatrie en verslaving? Lees hier verder! 

10 dingen die mentaal sterke mensen niet doen

 

Een cruciale vereiste om succesvol te worden is een taaie geest die je mentaal sterk maakt, altijd doet doorzetten en je de controle over jezelf doet behouden. Psychotherapeute Amy Morin stelde deze lijst op van tien zaken die een mentaal sterk individu absoluut niet doet als hij het succes wil bereiken.
 

  1. Tijd verspillen met zelfmedelijden. Als iets verkeerd gaat en je kan er niets meer aan veranderen, is dat een gezonken kost en dien je daar verder geen rekening meer mee te houden. Tijd verspillen met spijt hebben over gedane zaken, is dan ook compleet nutteloos.
     
  2. Alles altijd proberen te controleren. Dingen trachten te controleren vreet je energie op. Accepteer oncontroleerbare situaties zoals ze zijn en pas je aan de omstandigheden aan.
     
  3. Bang zijn voor mislukkingen. Je hoeft je nooit te schamen over een mislukking omdat het een rijkdom wordt wanneer je er uit leert wat in de toekomst beter te doen. Het biedt je daarnaast ook een dosis eerlijkheid, bescheidenheid en oprechtheid.
     
  4. Bang zijn voor risico’s. Een beredeneerd, ‘slim’ risico nemen verhoogt je kansen om succesvol te worden. Het risico op falen moet je er echter bijnemen. Weeg de mogelijke kosten en baten af tegen elkaar en wees niet irrationeel afkerig van potentiële risico’s.
     
  5. Emotionele intelligentie onderschatten. De vaardigheid om je eigen emoties te controleren en die van anderen te begrijpen en misschien zelfs te manipuleren is een goede indicator van toekomstig succes.
     
  6. Ondoorzichtig zijn. Als je mentaal sterk staat, ben je niet bang om je methode, je fouten en zelfs je geheimen te delen met anderen als dat je team ten goede kan komen.
     
  7. Bang zijn om alleen te zijn. Alleen kunnen zijn is niet aan iedereen gegeven en zeker niet aan onzekere mensen zonder zelfcontrole.
     
  8. Denken dat het succes morgen zal arriveren. Zelfs de meest succesvolle topexecutives kunnen de wereld niet veranderen in één dag. Een sterke geest begrijpt dan ook dat succes een strategie is voor de (zeer) lange termijn.
     
  9. Voelen in plaats van denken. Taaie geesten bekijken een probleem van alle mogelijke kanten en beginnen dan met “ik denk” waar mentaal zwakkere mensen met “ik voel” beginnen.
     
  10. Jaloers en hypercompetitief worden. Concurrentie haalt niet noodzakelijk het beste uit mensen. Taaie geesten motiveren zich eerder door zichzelf te belonen dan met het vooruitzicht om anderen te verslaan. Deze beloningen kunnen extrinsiek (“wat kan ik verdienen of winnen?”) of intrinsiek (“hoe kan ik genieten van of betekenis vinden in deze taak?”) zijn.

Bron: Express.be

Naar agressie hoef je niet te luisteren… Toch?!

E-learning Agressie en emotie

Er komt iemand met een klacht bij je. Hij is teleurgesteld en baalt. Ook heeft hij kritiek op de regels. Voor je gevoel reageert hij dit op jou af. Zijn toon bevalt je niet. Dit terwijl jij al zo duidelijk, en zelfs meermalen, hebt uitgelegd wat de regels zijn in dergelijke situaties. Je merkt dat hij zijn stem begint te verheffen en zelf voel je je verontwaardiging toenemen. Jullie komen in een agressie spiraal terecht waarbij de spanning verder oploopt. De ander begint jou nu te beledigen en je kan nog net op tijd je (scheld)woorden inslikken. Nu slaat hij op de tafel, gooit een stoel jouw richting op en stormt de ruimte uit.

Was dit te voorkomen?

Wat is agressie?

Wanneer deelnemers in een agressietraining nadenken over wat agressie is, komen er veel uiteenlopende reacties. Schelden. Aanraken. Dreigend kijken. Verbaal dreigen. Stem verheffen. Over het algemeen wordt agressie sneller gelinkt aan geweld, dan aan een mogelijk positievere betekenis. Het te begrijpen wat er bij de ander gebeurt is het verschil van belang. Het woord agressie stamt oorspronkelijk af van het Latijnse woord aggressus: ergens gericht op af gaan. Veelal wordt ‘agressie’ ingezet om iets voor elkaar te krijgen, als bescherming of overlevingsmechanisme. Of te wel: het heeft een functie.

Wat de een agressie noemt, hoeft voor de ander nog geen agressie te zijn. Hier speelt duidelijk een persoonlijke grens mee. Deze verschilt veelal van de grens die het bedrijf, aan agressie stelt. Het effect is dat er (vaak binnen het team) wisselend met agressie wordt omgegaan. Dit geeft onduidelijkheid bij de ander en werkt ‘shopgedrag’ in de hand: wat ze bij de ene medewerker niet voor elkaar krijgen proberen ze bij de ander. Om deze reden is het belangrijk met elkaar een professionele grens af te spreken.

Verschillende vormen van agressie

Aangezien mensen verschillend reageren is het handig om de verschillende soorten van agressie onder te verdelen. Dit wordt gedaan in het ABCD-model. Dit model is ontwikkeld door de politie Amsterdam. Ze merkten daar dat er een groot verschil was in efficiëntie bij de afhandeling van conflicten tussen verschillende units. Zo kreeg de ene unit een hele straat over de kop met een hoop papierwerk erbij en was een andere unit binnen twintig minuten weer terug op het bureau en was het klaar. Na onderzoek bleek dat de eerste unit zich op de inhoud ging bemoeien en de tweede meer op het gevoel ging zitten. De laatstgenoemde kon de emoties eruit halen waarmee ze het voor elkaar kregen dat situaties minder snel uit de hand liepen.

Grofweg maakt het ABCD-model onderscheid tussen emotie (A/B-gedrag) en agressie (C/D-gedrag). Emotie is te herkennen aan reacties die gericht zijn op: zichzelf (A) of de organisatie (B). Het gaat hierbij om: ‘klagen’/ ‘zeuren’ over de eigen situatie of het beleid en de regels van de organisatie. We gaan ervan uit dat emotie er mag zijn. Iedereen is immers weleens teleurgesteld. Vaak labelen, en behandelen we dit echter als agressie.

Bij agressie gaat het verder. C-gedrag richt zich op de persoon. Hierbij kan je denken aan schelden of persoonlijk worden. Bij D-gedrag gaat het om dreigen of toepassen van geweld.

In het voorbeeld aan het begin zie je de opwaartse agressie spiraal. In eerste instantie is de ander teleurgesteld (A-gedrag) en geeft kritiek op de regels van de organisatie (B-gedrag). Vervolgens loopt dit op naar beledigen (C-gedrag) en het, gericht, gooien met stoelen (D-gedrag).

Omgaan met emotie

Ben je zelf weleens boos en teleurgesteld? Vraag jezelf eens af wat je in zo’n situatie zelf van de ander verwacht. Was de reactie in het voorbeeld te voorkomen?

De valkuil in het voorbeeld is om direct naar de inhoud te gaan, bijvoorbeeld door de regels uit te leggen. Het effect is dat mensen in communicatie opschalen, of letterlijk harder gaan praten, met als doel dat jij ze hoort. Dit zorgt voor onbegrip, aan beide kanten, en vergroot de kans op escalatie. Om deze te verkleinen helpt het om aan het begin aan te sluiten en te luisteren naar de ander. Belangrijk is begrip te tonen voor de situatie en de beleving van de ander: meeveren. Vaak wordt deze stap overgeslagen of onvoldoende effectief ingezet.

Hoe zou jij het doen?

Leren doe je van én met elkaar. Daarom zijn we ook erg benieuwd naar jouw ervaringen. Welke verschillende vormen van emotie en agressie kom je tegen? Hoe ga je daar mee om? Welke tips zou jij willen delen?

Wil je meer leren over hoe jij of je team met agressie om kunt gaan? We komen graag met je in contact om mee te denken. Neem vrijblijvend contact op met Joris.

De 10 geboden voor persoonlijke groei

  1. Laat negatieve mensen los
    Je zou jezelf moeten omgeven met mensen die willen dat je slaagt.  Mensen die niet oprecht blij voor je zijn als je het goed doet zijn geen echte vrienden. Je hebt echt geen mensen in je leven nodig die je een slecht gevoel over jezelf geven of die je onzeker maken. Soms ontgroei je mensen in je leven, dat is prima dat hoort bij volwassen worden.
     
  2. Focus je op jezelf
    Het leven wordt echt beter als jij je niet meer druk maakt over wat andere mensen van je denken. Laat angst je nooit tegenhouden en verontschuldig je nooit voor wie je bent. Geloof in jezelf en doe wat je moet doen.
     
  3. Vergeef jezelf en ga verder
    Sombere en negatieve gedachtes leiden tot een negatief resultaat. Iedereen maakt fouten. Leer van je fouten, onthoud de les en stap er overheen. Leer om jezelf te vergeven, je hoeft niet perfect te zijn. Het leven is te kort om met jezelf te worstelen over dingen uit het verleden.
     
  4. Creëer zelfdiscipline
    Push jezelf want niemand anders gaat dit voor jou doen. Wat houdt je tegen als je een andere baan wilt, meer conditie wilt krijgen of als persoon wilt groeien? Creëer zelf de verandering die je wilt in jouw leven.
     
  5. Stop met jezelf met anderen te vergelijken
    De enige reden waarom je jaloers bent op anderen is omdat jij jezelf met deze mensen vergelijkt. Dankzij social media geloven we al snel dat anderen het perfecte leven hebben. Maar dat is onzin, we hebben allemaal onze worstelingen en minpunten. Perfectie bestaat niet, punt.
     
  6. Maak tijd vrij om je te focussen op je mentale gezondheid
    Je bent meer dan je uiterlijk, je salaris en je likes op Instagram. Je mentale gezondheid is één van de meest ondergewaardeerde dingen van de 21ste eeuw!
     
  7. Wees genereus
    Als je goed voor jezelf zorgt ben je ook in staat om voor andere mensen te zorgen. Je zult zien dat het een goed en tevreden gevoel geeft als je iets voor de wereld terug doet.
     
  8. Realiseer je dat geluk een reis is, niet een staat van zijn
    Er zullen dagen in je leven komen dat alles donker is, dat je geen idee hebt wat je moet doen en dat je geen idee hebt hoe je verder moet. Maar dit hoort bij het leven. Niemand wordt elke dag van zijn leven wakker in volledige staat van gelukzaligheid. Het leven komt met pieken en dalen, accepteer dit.
     
  9. Waardeer de kleine dingen
    Het leven is beter wanneer je de kleine dingen waardeert. Wees dankaar voor de mensen die wel van je houden, voor de zon die schijnt of voor een vogeltje wat bij je raam zingt.
     
  10. Complimenteer andere mensen en wees positief
    Het voelt goed om te weten dat jij de kracht hebt om de dag van iemand anders beter te maken! Weet dat je iemand een complimentje kan maken en geniet van de glimlach die je terugkrijgt. En complimenten gaan niet altijd over het uiterlijk, je kunt ook iets zeggen als: ‘het is fijn om je weer te zien’ of ‘ik vind het leuk om bij je te zijn’.

Op Herhealth.nl vind je artikelen die je handvatten geven voor een gezond en gelukkig leven! Wij willen je inspireren om het beste uit jezelf te halen en te genieten van het leven. Dit doen we door het schrijven van artikelen over relaties, persoonlijke groei en gezondheid en plaatsen we gezonde en lekkere recepten.

Kijktip: Talking to anorexia

In de nieuwe documentaire Talking to Anorexia van Louis Theroux stapt Louis twee van de grootste behandelingsfaciliteiten voor eetstoornissen in Londen binnen. Zowel binnen als buiten de ziekenhuizen ontmoet hij vrouwen van verschillende leeftijden, in verschillende stadia van hun ziekte.

Talking to anorexia: vrijdag 23 februari 2018 om 20.25 uur op NPO 3.
De aflevering is daarna een week online te bekijken.

Talking to anorexia © vpro

Louis brengt een bezoek aan het St Ann’s Hospital en Vincent Square Clinic in Londen. Hij ervaart er de dagelijkse routine van de patiënten: het afgesproken eten, het wegen en de groepstherapiesessies. Louis merkt dat de vrouwen verschillend tegen hun ziekte aankijken. De één vecht tegen een nieuwe opname in het ziekenhuis, de ander wil niet inzien dat ze ziek is.

Tijdens de gesprekken wordt ook duidelijk dat er veel misvattingen bestaan over de anorexia. Het zijn niet alleen jonge vrouwen die deze ziekte lijden. Theroux ontmoet de 63-jarige Janet die al sinds haar achttiende worstelt met haar eetstoornis. Ze legt hem uit dat de relatie tussen de stoornis en de persoon die er aan lijdt zeer complex is: haar gedachten wisselen telkens tussen haar gezonde en haar anorectische zelf.

Bron: VPRO

6 eenvoudige manieren om dit jaar je mentale gezondheid te verbeteren

1. Slaap voldoende

Uit recent onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie blijkt dat tweederde van de volwassenen niet aan de aanbevolen acht uur slaap per nacht komt. Toch kan een chronisch slaaptekort leiden tot stemmingsstoornissen zoals depressie en andere mentale gezondheidsproblemen. Probeer daarom alle boosdoeners die je slaap verstoren te bannen uit je kamer. Denk aan die koffie of thee voor het slapengaan en het blauwe licht van je digitale apparaten.

2. Maak je geen zorgen over dingen die nog niet gebeurd zijn

Uit het boek ‘The Worry Cure’ van dokter Robert L. Leahy blijkt dat we in 85 procent van de gevallen ons zorgen maken over dingen die nooit gebeuren en we dus eigenlijk stressen om niets. Toch wordt chronische stress geassocieerd met een grotere kans op klinische depressie. Kortom: je minder zorgen maken, is de beste manier om je mentale gezondheid een boost te geven. Maar hoe begin je daar nu aan? Therapie is een goede optie, maar tegelijkertijd niet de goedkoopste. Probeer daarom eens om je zorgen neer te schrijven. Je voelt je meteen lichter en achteraf kan je ze terug bovenhalen om de afloop te evalueren.

3. Stop met diëten

Hier ontdekte je al waarom crashdiëten nooit werken, en wie er al eerder eentje probeerde kan vast beamen dat je er niet bepaald gelukkig van wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mensen die hun lichaam aanvaarden, ongeacht hun lichaamsvorm, vaker een betere geestelijke gezondheid en een meer bevredigend seksleven (en meer orgasmes) hebben, én gelukkiger zijn hun relatie. Als je echt gewicht wil of moet verliezen voor je gezondheid, volg dan een gebalanceerd dieet waarin je geen voedingsstoffen uitsluit, maar regelmatig beweegt in plaats van jezelf eindeloze beperkingen op te leggen die je toch nooit volhoudt.

4. Neem een hobby

Neem dit jaar eens de tijd om een nieuwe vaardigheid aan te leren, een talent te verbeteren of meer te doen van wat je graag doet. Van lezen is gebleken dat het relaties verbetert en depressies vermindert, schrijven over emotionele gebeurtenissen helpt dan weer bij het herstel en van iets te creëren, in welke zin dan ook, is bewezen dat het helpt negatieve gedachten te temperen en stress en angst te verminderen.

5. Pak je digitale verslaving aan

Een digitale detox klinkt misschien saai, maar die acht uur per dag die je aan verschillende media spendeert, doen je meestal niet zoveel goeds. Experts op het gebied van geestelijke gezondheid en technologie zijn ervan overtuigd dat Twitter ons ongevoelig maakt voor gruwelijke gebeurtenissen en dat Instagram een slechte invloed heeft op je slaap, lichaamsbeeld en gevoelens van angst, depressie en eenzaamheid bevordert. Maar tenzij je in verlaten hut in een bos woont, vertrouw je waarschijnlijk dagelijks op technologie voor je sociale leven of werk. Ga daarom niet volledig cold turkey maar begin met enkele kleine stappen. Kijk bijvoorbeeld niet meer tijdens de maaltijd of een uur voor het slapengaan naar je smartphone en bouw zo stilletjes aan op.

6. Beweeg meer

Het valt niet te ontkennen dat beweging een goede invloed op je mentale gezondheid, maar dat betekent niet dat je je elke dat naar de fitness moet sleuren. Yoga helpt bijvoorbeeld erg goed om de symptomen van depressie en slaapstoornissen te verbeteren. Zwemmen zorgt dan weer voor minder stress en angst. Als je jezelf écht wil uitdagen, kan je je inschrijven voor de Antwerp 10 Miles of de 20 kilometer van Brussel, maar doe vooral iets wat je ook echt leuk vindt.

Bron : goedgevoel.be

Autisme en prikkels, inzicht door indringende filmpjes

Schermafbeelding 2015-12-18 om 08.14.57

De extreme mate van gevoeligheid voor prikkels maakt dat het voor mensen met een vorm van autisme heel zwaar is om normaal te functioneren. Iets simpels als tv kijken of op een drukke plek zijn voelt soms als een hel.

Dit korte filmpje van The National Autistic Society,  maakt duidelijk hoe groot het probleem van prikkels ontvangen eigenlijk is voor mensen met autisme.

Bekijk de video maar en beoordeel zelf wat de realiteit is en denk dan nog eens aan ‘dat’ kind op school, die anders dan anders is en heftig reageert op drukte, prikkeling en spannende momenten (neem een Sint of kerst periode). En sla eens een schouder om de moeder heen. Meer is er niet nodig.

De hele dag door krijgen we informatie binnen via al onze zintuigen. Al die informatie moet verwerkt worden in onze hersenen. Soms komt er zoveel informatie binnen, dat het niet allemaal verwerkt kan worden en er stress ontstaat.

Alle mensen, met of zonder autisme, hebben een denkbeeldige emmer. In die emmer vallen de druppels “onverwerkte informatie”. Informatie die we niet meteen een plekje kunnen geven. Onze emmers worden gevuld zonder dat het direct zichtbaar is voor de buitenwereld. Als de emmer vol raakt, komt echter die laatste druppel. De druppel die de emmer doet overlopen. Op dat moment worden mensen boos, vluchten weg of trekken zich helemaal terug. Hun hoofd kan alle informatie niet meer verwerken en slaat op tilt. Hoe snel de emmer zich vult is per persoon verschillend.

Mensen met autisme hebben moeite met het verwerken van alle informatie die op ze afkomt.
Informatie waar mensen zonder autisme niet eens meer bij stilstaan omdat het bij hen meteen verwerkt wordt.

Hoe kunnen prikkels binnen komen bij een kind met autisme:

Bron: famme.nllevenmetautisme.com

 
Meer weten over autisme op de werkvloer? Lees hier verder. Of neem vrijblijvend contact op voor een aanbod op maat. 

5 signalen dat je te veel geeft

Hoewel aardig zijn en compassie hebben voor anderen mensen fantastische kwaliteiten zijn om te bezitten, bestaat er wel degelijk zoiets als te veel geven. Het is belangrijk om te geven om andere mensen, maar je kunt ook te veel geven en dan gaat het ten koste van jezelf en je eigen geluk.

Onderstaand vind je 5 signalen waaruit blijkt dat je te veel geeft:

1. Mensen maken misbruik van je
Als jij er een gewoonte van maakt om de behoeftes van anderen altijd boven die van jezelf te plaatsen dan gaat dit opvallen. En mensen zullen hier misbruik van maken. Want als mensen even omhoog zitten omdat ze een oppas nodig hebben, hulp nodig hebben bij het opknappen van hun huis, hapjes moeten voorbereiden voor een feestje, of wat dan ook… dan bellen ze de persoon die altijd ja zegt. En kun jij het ze kwalijk nemen? Het is niet erg om af en toe nee te zeggen of om voor jezelf op te komen. De mensen die echt om je geven zullen dit alleen maar waarderen en respecteren.

Believe in me

2. Je verbergt je echte gevoelens
Je houdt je gevoelens of gedachtes voor jezelf omdat jij de enige bent die er zo overdenkt. Je bent bang om je mening te geven als deze anders is dan die van de rest van de groep. Maar je te druk maken over wat anderen van je denken zal je uiteindelijk uitputten. Niet iedereen kan je aardig vinden. Wat je ook doet, de ene persoon heeft het liefste appeltaart en de ander doet een moord voor slagroomtaart, oftewel iedereen is anders en iedereen heeft een andere smaak of mening. Proberen om iedereen gelukkig te houden maakt je stapelgek.

3. Je zet ieders behoeften voor die van jezelf
Alleen als je werkelijk super lief bent dan ben je in staat om constant de behoeftes van anderen voor die van jezelf te laten komen. Maar dit kan vreselijk uitputtend zijn. Hoe moeilijk het ook is, zorg dat jij je grenzen gaat aangeven. Steek tijd en energie in het uitzoeken wat jouw grenzen zijn. Wanneer mag jij van jezelf voor jou kiezen? Als je doodziek op bed ligt en helemaal uitgeput bent? Of al eerder, als je zelf even wilt genieten van het mooie weer, een fijne wandeling of een goed boek, zonder dat je alweer je zieke buurman, je schoonzus met haar baby of op school aan het helpen bent.

4. Je spendeert niet voldoende tijd aan het zorgen voor jezelf
Wanneer je al je tijd besteedt aan het gelukkig maken van andere mensen dan blijft er geen tijd meer over jezelf. Zorg ervoor dat je agenda niet zo vol staat dat er geen tijd meer inzit voor de dingen die jij leuk vindt. En houdt vervolgens je agenda vrij voor de dingen die jij leuk vindt, deze dingen zijn super belangrijk! Daarnaast heb je energie nodig om voor anderen te kunnen zorgen, dus maak tijd om weer op te kunnen laden.

5. Je trekt afhankelijke mensen aan
Als je super lief bent dan kan het ook zijn dat je ‘ten prooi’ valt aan mensen die super afhankelijk zijn. Dit soort mensen zoeken naar mensen die lief zijn en compassie hebben, want op deze manier kunnen zij krijgen wat ze willen. Wees er daarom alert op dat je geen deurmat wordt. Vooral omdat je zelf niet zo in elkaar zit, maar wees je ervan bewust dat er mensen zijn die je helemaal leegzuigen zonder er ook maar iets voor terug te doen. Nee zeggen is niet egoïstisch, het vaak gewoon noodzakelijk. De wereld heeft lieve mensen nodig, maar laat anderen geen misbruik maken van jouw lieve karakter.

Wil je leren hoe je een effectieve grens stelt? Of hoe je anderen kunt beïnvloeden? We denken graag met je mee. Wellicht een training communiceren

Op Herhealth.nl vind je artikelen die je handvatten geven voor een gezond en gelukkig leven! Wij willen je inspireren om het beste uit jezelf te halen en te genieten van het leven. Dit doen we door het schrijven van artikelen over relaties, persoonlijke groei en gezondheid en plaatsen we gezonde en lekkere recepten.

Deze 5 woorden maken je volgens Sinek een betere leider

De meeste mensen denken bij goed leiderschap aan mensen met een visie die ze goed kunnen uitdragen. Maar volgens leiderschapsdenker Simon Sinek kun je met het tegenovergestelde een hoop meer bereiken.

Waarom een depressie bij senioren vaak niet herkend wordt

Depressies komen veel voor, ook bij senioren. Maar omdat een depressie bij ouderen vaak niet herkend wordt, krijgen ze lang niet altijd de juiste behandeling. Dat kan fatale gevolgen hebben. Hoe ziet een depressie later in het leven eruit? Waarom is het zo belangrijk om deze aan te pakken? Een interview met ouderenpsychiater Caroline Sonnenberg bij gezondheidsnet.nl

Volgens cijfers van MIND kampt 15 tot 20 procent van de senioren met een lichte vorm van depressie en 2 tot 3 procent met een ernstige depressie. Jaarlijks stappen circa 1500 mensen uit het leven als gevolg van depressieve klachten. Een derde daarvan is 60-plus. Op welke leeftijd komen depressies vaker voor?

Twee piek-leeftijden

“Er zijn twee pieken bij senioren. De eerste doet zich voor als mensen met pensioen gaan. Het werk valt weg, de kinderen gaan uit huis en je gaat veel meer tijd met je partner spenderen. Dat kan best tegenvallen. In deze fase moet je je leven opnieuw inrichten.”

“De volgende piek zien we boven de 75 jaar, als er veel lichamelijke problemen ontstaan. Langdurig lichamelijke klachten hebben is een risicofactor voor depressie, met name als ze gepaard gaan met veel beperkingen. Bijvoorbeeld hevige gewrichtspijn door artrose of botontkalking, wat ervoor zorgt dat je moeilijker gaat lopen, niet meer zelf boodschappen kan doen: kortom, allerlei activiteiten niet meer kunt uitvoeren. Dat zorgt er waarschijnlijk voor dat 75-plussers depressief kunnen raken”, zegt Caroline Sonnenberg.

Welke klachten hebben depressieve senioren?

Bij ouderen wordt een depressie vaak niet herkend. Sonnenberg: “Soms uit een depressie zich bij ouderen vooral in lichamelijke klachten. Ze voelen zich niet zo lekker of zijn een beetje misselijk bij het opstaan. Ze slapen slecht, maar wijten dat zelf aan hun zere benen.” De huisarts of de familie vermoedt eerder dementie of parkinson. Of ze denken dat de klachten een lichamelijke oorzaak hebben, want ouderen mankeren nog wel eens wat.

“Sommige ouderen geven bovendien niet aan dat ze zich somber voelen. Zeker hele oude mensen hebben nooit geleerd om over hun gevoelens te praten, ze weten er eigenlijk de juiste woorden niet voor. Ze klagen eerder over een onrustig gevoel, spanning of zenuwachtigheid dan over somberheid. Dan krijgen ze wel eens kalmeringsmiddelen voorgeschreven waar ze alleen maar somberder van worden.”

 

“Somber zijn is geen normaal onderdeel van ouder worden”

 

Ouderen zijn niet per definitie ongelukkig

Een misvatting van de jongere generatie is dat ouderen per definitie ongelukkiger zijn, omdat ze weinig meer ondernemen en hun vrienden en familie uitsterven. “Bij ouderen die zeggen dat ze het leven niet meer zo leuk vinden, denk je misschien ‘dat is nogal logisch als je 80 bent’. Maar dat is het niet! Uit onderzoek blijkt dat 85 procent van de ouderen heel tevreden is met hun leven. Zelfs als ze allerlei kwalen hebben en als er mensen zijn weggevallen. Ze zijn er langzaam naartoe gegroeid dat ze minder energie hebben en kunnen dat best accepteren. Als jongere kun je je daar misschien niets bij voorstellen, maar het hoort echt niet bij de leeftijd dat iemand ongelukkig is”, waarschuwt Sonnenberg.

Meer depressies in verpleeghuizen

“In verpleeghuizen komt depressie veel vaker voor dan bij mensen die thuis wonen, maar daar uit het zich nogal eens in gedragsproblemen. Bewoners willen bijvoorbeeld niets, zijn knorrig en klagen alleen maar. Iemand lijkt misschien een oude zuurpruim, maar een deel is echt depressief. De familie komt steeds minder langs omdat een bezoekje aan oma niet leuk meer is, terwijl zij een depressie heeft die goed te behandelen zou zijn.”

“Het is belangrijk om mensen die naar een verpleegtehuis gaan langere tijd te volgen. In het begin vinden de meesten het daar namelijk verschrikkelijk, maar na een maand of vier zijn ze gewend en blijkt het best prettig: de veiligheid, structuur, dingen niet meer hoeven doen die je eigenlijk niet meer kon. In de regel is het een kwestie van wennen, maar die ene groep waarbij de klachten blijven bestaan, daar moet je echt wat mee doen”, zegt Caroline Sonnenberg.

Risico onbehandelde depressie

Een depressie kan fatale gevolgen hebben, zeker als deze niet behandeld wordt. Het aantal mannen dat sterft ten gevolge van een depressie is groter dan het aantal vrouwen. “Mannen komen niet zo makkelijk met hun emoties voor de dag. Ze huilen niet, maar ze zijn boos, willen niets of hebben vooral lichamelijke klachten. Soms hebben ze zelf helemaal niet door dat ze een depressie hebben. Ze herkennen zich niet in dat beeld, of denken dat ze heus niet op hun 80e voor het eerst een depressie kunnen krijgen. Ze weten alleen maar dat ze helemaal vastzitten en geen idee hebben hoe ze verder moeten. En dat kan lange tijd voortduren. Dit is heel gevaarlijk, want soms stappen ze dan maar uit het leven. Juist bij de groep van oudere mannen komt dat voor. Mannen doen vaker een geslaagde zelfmoordpoging dan vrouwen: ze kiezen eerder voor een gewelddadige middelen als wapens of verhanging, en dat lukt meestal. Vrouwen slikken eerder pillen, dat werkt bijna nooit.”

“Het percentage mensen dat uit het leven stapt is klein, misschien 1 procent van die hele grote groep met depressieve klachten. Maar elke persoon is er een te veel. Vooral omdat het zo goed te behandelen is. Juist de groep van oudere mensen die nooit eerder een depressie heeft doorgemaakt, knapt gewoonlijk prima op. Hoe ernstig hun depressie ook is, dat maakt eigenlijk niet uit. Als je nooit eerder depressief geweest bent, zijn je vooruitzichten heel goed”, aldus Sonnenberg.

Een depressie is geen schande

“Depressies komen heel vaak voor. Het is geen schande: het kan iedereen overkomen. Het zit een beetje in onze natuur. Soms heeft het een functie, net zoals je je terugtrekt als je griep hebt. Soms moet je nu eenmaal stilstaan en nadenken over een probleem in je leven. Wordt het je te veel en kom je er niet meer uit, dan is het verstandig om er iets aan te doen. En dat kan ook heel goed. Tenzij er onderliggende problemen spelen, is een depressie op zich heel goed te behandelen. Het kan lang duren, maar je knapt echt altijd op.”

Dr. Caroline Sonnenberg is psychiater bij GGZ inGeest. Ze promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam op haar onderzoek naar sekseverschillen en medicatiegebruik bij depressieve ouderen.

Bron: gezondheidsnet.nl

ADHD is meer een probleem van de maatschappij dan van het kind

Kinderen met ADHD worden in kinderboeken vaak bestempeld als oorzaak van de problemen die er zijn. Ze hebben een chronische hersenstoornis waar ze pillen voor moeten slikken. Een misvatting, vindt Laura Batstra die als docent verbonden is aan de Rijksuniversiteit Groningen. “Het feit dat ADHD in onze maatschappij een probleem is, heeft meer te maken met onze maatschappij dan met die kinderen”, vertelt Batstra op Groot Nieuws Radio.

In de kinderboeken die Batstra onderzocht, wordt ADHD neergezet als een hersenstoornis waarvoor je pilletjes kunt gebruiken. Wat klopt daar niet aan? “De recente wetenschappelijke onderzoeken laten zien dat de hersenen van kinderen met een diagnose ADHD niet noemenswaardig verschillen met de hersenen van kinderen zonder de diagnose ADHD. Dus de stelling dat kinderen met ADHD andere hersenen hebben die het gedrag veroorzaken, is gewoon niet hard te maken. Een grote misvatting”, aldus Batstra.

“Iedereen wordt geboren met een bepaald temperament. Er zijn kinderen die wat actiever zijn en wat onrustiger dan andere kinderen”, zo verklaart Batstra het ontstaan van ADHD. Er zijn volgens haar veel oorzaken te verzinnen voor het feit dat kinderen druk zijn: het overbelaste schoolsysteem, grote klassen en overbelaste leraren.

uniek

Medicatie

Heeft medicatie wel zin als je ADHD hebt? Op korte termijn kan het hyperactieve gedrag onderdrukken, zegt Batstra. “Als je kijkt naar de lange termijn dan kun je niet zeggen dat kinderen daar voordeel bij hebben. Er wordt gezegd dat ze betere schoolprestaties krijgen, dat het sociaal functioneren vooruit gaat, maar dat wordt niet ondersteund door onderzoek.”

Voorlichting

Batstra hoopt dat er iets gaat veranderen in de voorlichting over ADHD. “Zolang we kinderen, ouders en leerkrachten blijven vertellen dat het gat om een chronische hersenstoornis, en we proberen kinderne met medicatie in te passen in een maatschappij die niet deugt, zal er weinig veranderen aan de maatschappij.”

Het hele gesprek met Laura Batstra kun je hier terugluisteren.

Bron: grootnieuwsradio.nl

Nieuwe zorg voor cliënten met LVB

De verstandelijk gehandicapten sector heeft een nieuwe vorm van zorg voor cliënten met een licht verstandelijke beperking en ernstige gedrags-, psychiatrische en vaak ook verslavingsproblemen: Flexible Assertive Community Treatment (F)ACT. Laura Neijmeijer van Trajectum heeft, samen met- en in opdracht van Expertisecentrum De Borg en het Trimbos-instituut, een meerjarenonderzoek gedaan naar de werkzaamheid van (F)ACT LVB-teams. De onderzoeksresultaten zijn positief.

In de GGZ wordt al langere tijd gewerkt met (F)ACT en deze vorm van intensieve ambulante (bemoei)zorg wordt nu ook met succes toegepast in de gehandicaptenzorg.

“Ik ben dankzij de ondersteuning van het (F)ACT-team als persoon sterker geworden en kan beter grenzen stellen” cliënt Henk

Onderzoeksresultaten

De uitkomsten laten zien dat cliënten die zorg krijgen vanuit de (F)ACT- teams in de loop van de tijd minder vaak opgenomen worden. Hun sociaal en psychisch functioneren verbetert en meer cliënten hebben huisvesting en een vorm van werk. Ook het aantal contacten met politie en justitie neemt in de loop van de tijd af. Doordat FACT LVB-teams cliënten regelmatig thuis bezoeken, kunnen symptomen van terugval eerder worden gesignaleerd waardoor er tijdig ingegrepen kan worden.

Het onderzoek laat ook zien dat cliënten niet op alle gebieden vooruit gaan. Zo blijft bijvoorbeeld het aantal detenties constant, de financiële problematiek groot en is afhankelijkheid van alcohol en drugs een hardnekkig en moeilijk te beïnvloeden probleem. De cijfers laten zien dat juist voor de doelgroep van FACT LVB-teams een lange adem nodig is en continuïteit van zorg. Ook behandeling in het gevangeniswezen en ambulante verslavingsbehandeling van deze doelgroep verdient een flinke impuls.

Er zijn inmiddels ongeveer 15 (F)ACT-teams voor mensen met een lichte verstandelijke beperking en probleemgedrag actief in Nederland. (F)ACT voor cliënten met een LVB voorziet duidelijk in een behoefte en is een belangrijke aanvulling op de bestaande zorg.

Intensieve, ambulante (bemoei)zorg

Bij (F)ACT gaat het om intensieve, ambulante (bemoei)zorg vanuit een multidisciplinair team. De behandeling en begeleiding vindt plaats in de samenleving, dus bij de cliënt thuis, op zijn werk of op straat. Kenmerkend voor (F)ACT-teams is hun laagdrempelige en proactieve benadering. (F)ACT-teams bieden continuïteit van zorg. Dit houdt in dat zij hun cliënten zo lang als nodig behandelen en begeleiden, ook als zij een periode in een gevangenis of een kliniek verblijven.

Toekomst

Projectleider Laura Neijmeijer overhandigde tijdens de slotconferentie op 1 november de publieksversie van het eindrapportaan Goof van Gemert van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft het implementatie- en onderzoeksproject gefaciliteerd en wil (F)ACT LVB ook in de toekomst blijven financieren.

Gesteld kan worden dat (F)ACT LVB doet wat nodig is en resultaat oplevert. Om in de toekomst goede zorg te kunnen blijven bieden, moet de financiering en indicatiestelling beter geregeld worden. Ook moeten (F)ACT-teams altijd kunnen terugvallen op klinische beddencapaciteit.

Bron: Trimbos 

Zelfsturende organisaties blinken uit in leiderschap: 7 tips

Zelfsturende organisaties worden door hun medewerkers zeer positief beoordeeld op hun leiderschapsstijl. Leiderschap scoort een 7,5 in organisaties die niet langer over een traditionele managementlaag beschikken. In klassieke top-down organisaties scoort leiderschap een stuk lager, namelijk een 6,9. Hoe maakt u de slag naar zelfsturing met succes? 7 tips uit de praktijk helpen u op weg.

zelfsturing
Uit het onderzoek ‘Het verborgen potentieel van werkend Nederland 2016′ van Effectory blijkt ook dat zelfsturende organisaties op andere gebieden; uitblinken. Zo wordt de mate van invloed die medewerkers binnen hun organisatie ervaren beoordeeld met een 7,2. In traditionele organisaties scoort dit onderdeel een diepe onvoldoende, namelijk een 4,8. Ook zijn medewerkers veel gemotiveerder in hun werk. Zelfsturende organisaties scoren op dit gebied een 7,8, ten opzichte van een 5,5 bij traditionele organisaties. Ook is de stimulans voor medewerkers om zichzelf te ontwikkelen groter, deze wordt in zelfsturende organisaties beoordeeld met een 7,7, ten opzichte van een 5,3 in traditionele organisaties.

Natuurlijk evenwicht
Hoe is deze positieve score mogelijk in organisaties die zelfsturend zijn en waarin traditionele leidinggevenden niet meer bestaan? Guido Heezen, directeur en oprichter van Effectory: “Bij een moderne, zelfsturende organisatie ontstaat leiderschap vaak op spontane wijze, gebaseerd op de inhoud van een issue. Ben je goed in het verbeteren van de klantgerichtheid van je organisatie? Dan profileer je je op dit gebied en ontstaat er vanzelf leiderschap op dit punt. Maar als je meer hebt met de financiële kant van je organisatie, trek je op dit gebied waarschijnlijk de kar. Leiderschap is dus gebaseerd op thema en ervaring. Dat kan betekenen dat het stokje na verloop van tijd weer doorgegeven wordt; leider blijf je zolang je teamgenoten toestaan dat je het bent. Hiërarchische verhoudingen worden dus niet bepaald door functies of titels: de werkelijke leiders ontpoppen zich per thema. Daardoor ontstaat er een natuurlijk evenwicht op de werkvloer.”

7 tips om zelfsturing succesvol te implementeren

Tip 1: Voorkom een halfslachtige aanpak
Mensen die in hun eigen organisatie de omslag van ‘traditioneel’ naar zelfsturend hebben gemaakt benadrukken het allemaal: je kunt niet half zelfsturend worden. De overgang naar zelfsturing vereist een hele principiële keuze. Er is lef voor nodig om afscheid te nemen van controle en beheersdrang.
Als je medewerkers meer vrijheid geeft, maar uiteindelijk op cruciale momenten toch vanuit de directiekamer de eindbeslissing blijft nemen, schep je verwarring. Ondernemer Fokke Wijnstra zegt hierover: “Je moet de dingen wel laten gebeuren. De valkuil is dat je in dat natuurlijke ontwikkelingsproces stiekem toch weer de maakbaarheid stopt. Dat zie je in de praktijk gebeuren. Het valt even tegen en mensen vallen weer terug in de oude stand van controleren en beheersen.”
 

Tip 2: Wees voorbereid op de terugval
Het introduceren van zelfsturing gaat met vallen en opstaan. Verwacht geen soepel en probleemloos traject. Een deel van de medewerkers zal moeite hebben met de nieuwe situatie. Aannemer René Kesselaar vertelt: “In die beginperiode vroeg ik de jongens wat ze het eerst wilden veranderen. ‘Dat jij opsodemietert’ riepen er een paar. Want sommigen vonden die verwarring heel lastig.”
Het kan ook voorkomen dat een aantal medewerkers niet uit de voeten kan met de nieuwe situatie en vertrekt. En de resultaten kunnen tijdelijk tegenvallen. Dat maakte ook Guido Heezen van Effectory mee: “Bij ons eigen bedrijf zagen we dat de totale efficiency het eerste half jaar een deuk kreeg. Je ziet dan criticasters die zeggen: ‘Zie je wel, het werkt niet.’ Maar na dat halve jaar ging het goed. Je hebt uithoudingsvermogen en lef nodig. En vertrouwen in het proces en in elkaar.”
 

Tip 3: Leer echt loslaten
In zelfsturende organisaties hebben teams werkelijke autonomie. Talloze zaken die in traditionele organisaties in de directiekamer worden afgehamerd, worden hier besloten op teamniveau. Denk aan het bepalen van werktijden en vakantiedagen, aan de werving van een nieuwe collega of aan het bepalen van een marketingactie.
Hoe die vergaande autonomie op teamniveau in de praktijk werkt, laat Henny de Haas van Hoppenbrouwers Elektrotechniek zien: “Iedereen is bij ons tekenbevoegd, ze mogen alles doen en ze bepalen zelf de grens. Het is toch een raar idee dat bedrijven allemaal facturen laten klaar leggen en dat iemand hoger in de organisatie dan al die facturen moet aftekenen? Wat is nou je waarde als je alleen maar die handtekening hoeft te zetten? Waarom laat je die medewerker de factuur niet goedkeuren? Mensen zijn supergoed in staat om de dingen zelf op te lossen. Offertes regelen ze ook zelf. Ik wil een offerte van twee miljoen niet zien. Daar zijn mensen een half jaar ontzettend gedegen mee bezig geweest. Moet ik dan de arrogantie hebben om te denken dat ik een eindbeslissing kan nemen?”
 

Tip 4: Kijk anders naar het begrip leiderschap
De leider (van een team) wordt niet vanuit de boardroom benoemd, maar vanuit de groep. René Kesselaar zegt: “Traditionele bedrijven nemen managers aan en die moeten dan targets halen; de groep lijdt vervolgens onder  verkeerde keuzes. Als je mensen vanuit de groep aanneemt halen ze ook targets vanuit de groep en maken ze de mensen op voorhand deelgenoot van de resultaten.”
In zelfsturende organisaties zijn leidinggevenden vaak meewerkende mensen in een team. Het gaat veel meer om richting geven en om verbinden, dan om besluiten naar zich toe te trekken en uit hoofde van hun functie eindbeslissingen te nemen.
 

Tip 5:  Creëer geen kruispunten, maar rotondes
Deze metafoor is van Wim Heuvelman van Finext. Neem zoveel mogelijk afscheid van knellende regels die voortkomen uit de beheersdwang. Het begrip vertrouwen speelt hier ook een belangrijke rol. Toen Ricardo Semler directeur werd van Semco verwijderde hij direct de detectiepoortjes bij de ingang van zijn bedrijf. Die poortjes waren ooit neergezet omdat er wel eens een nijptang of een schroevendraaier verdween. Semler vond: Moet ik alle medewerkers iedere dag het gevoel geven dat ik ze niet vertrouw omdat heel incidenteel een enkeling iets ontvreemdt? Semler zegt overigens ook: “Een van de eerste dingen die ik bij Semco deed was een einde maken aan alle regels … Ze staan flexibiliteit in de weg en werken gemakzucht in de hand.” In plaats van ‘procedurebijbels’ geldt bij Semco de basisregel: Gebruik je gezonde verstand.
Wim Heuvelman zegt: “In eerdere bedrijven waar we gewerkt hebben waren we verbaasd over de complexiteit. Overal werden stoplichten en regelmechanismen neergezet, die allemaal leken te suggereren dat je je eigen mensen niet vertrouwt. Wij zeggen: maak in plaats van kruispunten met stoplichten eenvoudige rotondes, waar mensen de dingen zelf regelen.”
 

Tip 6:  Deel informatie
Zelfsturende organisaties zijn open en faciliteren het ‘leren van elkaar’. Bij Buurtzorg Nederland wordt de ICT actief ingezet om te zorgen dat mensen ervaringen kunnen uitwisselen via een online community. Jos de Blok: “Medewerkers kunnen daar bijvoorbeeld goede ideeën plaatsen en alle collega’s zien die artikelen, en kunnen reageren. Zo vindt er een horizontale uitwisseling plaats. Iedereen die een goed idee heeft kan een project starten. Door de IT heel actief in te zetten als communicatieplatform beperk je de noodzaak aan management.”
 

Tip 7:  Meet de resultaten
Zelfsturing wordt nog wel eens geassocieerd met ‘soft’ of niet-resultaatgericht. Dat is een grote misvatting. Sterker: veel zelfsturende organisaties presteren aanmerkelijk beter dan traditionele branche-genoten.
René Kesselaar vertelt: “Wij meten alles. Het bewonersgedrag, de doorlooptijden van alle processen. Natuurlijk zijn wij een zakelijk bedrijf. Vorig jaar groeiden we 80 procent en daar ben ik apetrots op.”

Ook Wim Heuvelman rekent af met het idee dat zelfstuurders niet in cijfers geïnteresseerd zouden zijn: “De grap is dat je in ons soort organisaties juist moet zorgen dat de cijfers op tafel liggen en dat de medewerkers ook echt snappen waar het over gaat. Dat zie je ook bij Semco: Iedereen kan de cijfers lezen. Bij veel organisaties is de overkoepelende informatie die je nodig hebt om te sturen niet beschikbaar, of begrijpen de mensen niet waar ze naar kijken als ze de cijfers zien. En als de medewerkers het niet begrijpen hebben ze weer leidinggevenden nodig om dingen te duiden.”

Bron: HRPraktijk.nl

 

Je kunt niet zeggen dat ADHD een hersenafwijking is

Je kunt niet zeggen dat ADHD een hersenafwijking is. Het is dus ook (nog) niet mogelijk om een scan van een kind te maken en dan te bepalen of het wel of geen ADHD heeft. Daarvoor zit ADHD te ingewikkeld in elkaar. Wel is het zo, dat bij sommige onderzoeken onder grote groepen kinderen hele kleine verschillen gevonden zijn in de vorm en functie van de hersenen van kinderen met en zonder ADHD. Het gaat daarbij om (kleine) groepsverschillen en niet om verschillen bij ieder kind afzonderlijk, aldus het kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.

adhd

De hersenen van de onderzochte groep kinderen met ADHD zijn iets kleiner en een deel van de buitenkant van de hersenen (cortex) is iets dunner. Ook blijken de kernen diep in de hersenen (de basale ganglia) van de groep kinderen met ADHD gemiddeld kleiner te zijn dan die van hun leeftijdsgenoten. Dit geldt ook voor de kleine hersenen (het cerebellum) en het deel van de hersenen onder het voorhoofd (de frontale cortex). Deze verschillen kunnen weer verdwijnen tijdens de adolescentie. Daarnaast laten de hersenen van groepen kinderen met ADHD in een aantal gebieden geen asymmetrische ontwikkeling van de hersenhelften zien; iets wat bij kinderen zonder ADHD juist een normaal verschijnsel is.

Als we een heleboel onderzoeken bij elkaar leggen, zien we dat groepen kinderen en jongeren met ADHD een lagere activiteit hebben in bepaalde hersendelen, die onder meer een rol spelen bij de aandacht, de concentratie en het geheugen. Dit geldt ook voor groepen kinderen met ADHD zonder andere psychische problemen en bij kinderen die nooit medicijnen voor ADHD hebben gebruikt.

Ook is gevonden dat er bij de ADHD-groep te weinig stofjes in de hersenen (neurotransmitters) zijn die een rol spelen in het goed met elkaar samenwerken van de hersencellen. Dit zijn bijvoorbeeld dopamine en noradrenaline.

Erfelijkheid 
Erfelijkheid speelt een grote rol in het ontstaan van ADHD. Broertjes en zusjes van kinderen met ADHD hebben een 2 tot 3 keer hogere kans om zelf ADHD te krijgen dan kinderen uit een gezin waarin geen ADHD voorkomt. Uit tweelingonderzoek blijkt dat ADHD voor ongeveer 80% bepaald wordt door erfelijkheid, dat is ongeveer vergelijkbaar met de invloed van erfelijkheid op de lichaamslengte.

Welke genen spelen er mee?
Op zoek naar de oorzaken van ADHD proberen wetenschappers een antwoord te vinden op de vraag of bepaalde genen (erfelijk materiaal) een rol spelen bij ADHD. Op dit moment zijn er geen specifieke genen voor ADHD ontdekt. Dat is ook niet te verwachten. Wetenschappers denken dat bij ADHD meerdere genen een rol spelen en dat ook omgevingsfactoren een belangrijke invloed hebben. Er zijn wel meerdere ‘verdachte’ genen gevonden die mogelijk meespelen bij het ontstaan van ADHD.

Wat is de invloed van de omgeving?
De genen bepalen dus voor een belangrijk deel de kwetsbaarheid of ‘aanleg’ van een kind voor ADHD. Maar het ontwikkelen van ADHD is niet onvermijdelijk als een kind er genetische aanleg voor heeft. Invloeden vanuit de omgeving kunnen de genetische eigenschappen versterken of verzwakken. Al voor de geboorte kan blootstelling aan nicotine, alcohol, zware metalen en bepaalde chemische stoffen of een tekort aan voedingsstoffen de kwetsbaarheid van het kind vergroten. Ook stress in het gezin, geldzorgen, ziekte van gezinsleden en een ongeorganiseerde gezinsomgeving worden in verband gebracht met het ontwikkelen van ADHD. Zonlicht heeft mogelijk een preventief (beschermend) effect op het ontwikkelen van ADHD-symptomen.

ADHD in het gezin
Hoeveel last een kind in het dagelijkse leven heeft van ADHD hangt af van de wisselwerking tussen de erfelijke aanleg en de omgeving. Doordat erfelijkheid een grote rol speelt bij ADHD, groeien kinderen met ADHD vaak op in een gezin waar een of beide ouders (en soms ook broertjes of zusjes) zelf ook kenmerken van ADHD hebben, zoals moeite met planning en organisatie. Dit kan van invloed zijn op het effect van een behandeling (zie Behandeling). Het is duidelijk dat de omgeving en de opvoeding geen ADHD veroorzaken en ook geen ADHD kunnen voorkómen.

Effect van medicijnen
Er zijn onderzoeken met hersenscans die laten zien dat deze verschillen in de hersenen lijken te verdwijnen bij het gebruik van ADHD-medicijnen. Scans (MRI) die de werking en samenwerking van de hersendelen meten, laten soms zien dat dit verbetert door medicijnen zoals methylfenidaat. De aandacht en concentratie verbeteren dan.

De effecten van methylfenidaat (ADHD-medicijnen) op de zich ontwikkelende hersenen zijn afhankelijk van verschillende factoren. Bij kinderen met een bepaald gen neemt het volume van het deel van de hersenen onder het voorhoofd (de frontale cortex) toe als ze methylfenidaat gebruiken. Belangrijk om te weten: bij het ouder worden, van kinder- naar puberleeftijd, verminderen de ADHD-symptomen vanzelf al, los van de vraag of een kind nu wel of geen methylfenidaat gebruikt.

Executieve functies
Er zijn wetenschappers die denken dat de problemen van kinderen met ADHD ontstaan uit stoornissen in de executieve functies en motivatie. Uit onderzoek blijkt dat deze functies zich bij kinderen met ADHD anders ontwikkelen.

Executieve functies hebben een regelfunctie in het brein. Ze zijn nodig voor het regelen van gedrag, gedachten en emoties. De belangrijkste executieve functies zijn:

  • inhibitie: het onderdrukken of ‘remmen’ van impulsen
    Hiermee kun je gewoontes of ander gedrag stoppen als dat niet (meer) wenselijk is.
  • schakelen: switchen tussen twee taken
    Hiermee kun je overschakelen op ander gedrag als dat beter past in de situatie.
  • het werkgeheugen: het tijdelijk opslaan van informatie
    Hiermee kun je voordat je iets doet eerst alle voor- en nadelen nog eens op een rijtje te zetten.

Deze functies zorgen voor zelfcontrole. Je kunt je hiermee aanpassen aan de omgeving. Je kunt plannen maken, alternatieven bedenken, naar het gedrag van jezelf kijken en het aanpassen aan de situatie. Of zelfs over je eigen gedachten nadenken.

Kinderen worden hier steeds beter in als ze ouder worden. Het vermogen om gedrag af te remmen (inhibitie) is het snelst ontwikkeld, maar het schakelen en werkgeheugen ontwikkelen zich nog tot in de adolescentie en volwassenheid.

Motivatie
Een andere theorie stelt dat ADHD samenhangt met een verminderde gevoeligheid voor beloning. Kinderen met ADHD reageren gemiddeld anders op beloningen dan kinderen zonder ADHD. Zo hebben zij een voorkeur voor directe beloningen en een hekel aan uitgestelde beloningen. Ook hebben ze sterkere beloningen nodig dan kinderen zonder ADHD om optimaal te presteren, hun aandacht vast te houden en om gepast gedrag te laten zien. Wanneer er veel en sterke beloningen zijn, dan kan dat motivatie verhogen en komen hun prestaties dichter bij het niveau van kinderen zonder ADHD.

Belangrijk om in gedachten te houden: het gaat ook hier weer om gemiddelden van groepen kinderen, geen enkel kind met ADHD is hetzelfde.

Bron: kenniscentrum-kjp.nl

Meer weten over autisme en ADHD? Neem vrijblijvend contact op met Joris of Ton per mail of op 040-3685068. We denken graag met je mee! 

10 tips voor een prikkelarm(er) Sinterklaasfeest voor kinderen met autisme en ADHD

Sinterklaas is niet voor álle kinderen het hoogtepunt van het jaar. Voor veel kinderen met autisme en ADHD betekent het feest vooral veel drukte en onvoorspelbaarheid. Hoe houd je het óók voor hen gezellig? Julie Wevers van Balans zet 10 tips op een rij. 

Sinterklaas

‘Een van mijn leerlingen zou in december het liefst een winterslaap slaap houden en pas weer wakker worden als alle feesten voorbij zijn’, zegt Wilma Mooiweer, autisme-coach en leraar op een Gelderse school voor voortgezet speciaal onderwijs. ‘Door zijn prikkelgevoeligheid brengen feesten zoals Sinterklaas hem maar weinig vreugde.’ Maar de meeste kinderen met diagnoses als autisme, ADHD en ODD kunnen volgens Mooiweer wel degelijk genieten van Sinterklaas. ‘Zolang de omgeving maar voldoende rekening houdt met hun prikkelgevoeligheid en behoefte aan structuur.’ Onderstaande tips van Mooiweer gelden niet voor elk kind, benadrukt ze. ‘Je moet echt kijken naar wat jouw kind wel en niet aan kan.’

Tien tips:

Sinterklaas poppen

Tip 1: Verstop de folders van de speelgoedketens die in de brievenbus vallen. Geef ze op een geschikt moment aan je kind, liefst zo laat mogelijk.

Tip 2: Overweeg om het Sinterklaasgeheim te onthullen. Dat kan voor problemen zorgen met  leeftijdsgenootjes die het geheim nog niet kennen, maar als  je denkt dat jouw kind er veel rust door krijgt, is het misschien toch de moeite waard. Sommige kinderen worden heel angstig of onrustig van het idee dat Sinterklaas ’s nachts over het dak loopt en dat Pieten elk moment door de schoorsteen naar binnen kunnen komen.

Tip 3: Maak vooraf samen met je kind een ‘Sinterklaasdraaiboek’Houd je consequent aan deze planning. Gebruik indien nodig pictogrammen om de planning te visualiseren.

Tip 4: Wees concreetZeg bijvoorbeeld niet: ‘Straks gaan we naar de intocht’, maar noem het tijdstip.

Tip 5: Laat je kind zo min mogelijk Sinterklaasprogramma’s zien op de televisie.  Het wordt op school, op straat en in winkels al genoeg met het feest geconfronteerd.

Tip 6: Laat je kind niet meer dan twee à drie artikelen op zijn verlanglijstje zettenSommige kinderen zetten wel heel er veel dingen op het lijstje en dan valt het resultaat zwaar tegen. Anderen vinden het al heel moeilijk om drie dingen te kiezen.

Tip 7: Koop vooraf samen met je kind de cadeautjes en pak ze ook samen in. Laat je kind eventueel ook zelf het papier kiezen zodat het weet: die blauwe pakjes, die zijn van mij. Indien het Sinterklaasgeheim nog niet is onthuld, kan je bijvoorbeeld zeggen: ‘Sinterklaas heeft gebeld en hij heeft mij aangeraden om alvast zelf de cadeautjes te gaan kopen omdat hij denkt dat jij dat prettiger vindt.’

Tip: 8: Beperk het schoenzetten tot één à twee keer.  Koop het schoencadeautje vooraf samen.

Tip 9: Vraag aan school of je kind zich aan het feest mag onttrekken als het hem teveel wordt. Het is fijn voor je kind als school vooraf een rustige plek aanwijst waar het dan heen kan gaan. Vraag of het daar gewoon zijn snoep en zijn cadeau kan krijgen. Denk je dat jouw kind echt beter thuis kan blijven als Sinterklaas langskomt op school, vraag dan verlof aan.

Tip 10:  Laat je kind weten dat Sinterklaas op 6 december ook weer weggaat. Neem dat moment ook duidelijk vooraf op in de planning.

Bron: balansdigitaal.nl

Meer weten over autisme en ADHD? Neem vrijblijvend contact op met Joris of Ton per mail of op 040-3685068. We denken graag met je mee! 

De laatste trends en ontwikkelingen

Met trots presenteren we de nieuwsbrief van deze herfst! De laatste trends en ontwikkelingen op het gebied van Croan Consult Training en Coaching vind je hier

Wil je ‘m de volgende keer automatisch in je mailbox ontvangen? Dat kan hieronder. Gemakkelijk en snel! 

VEEL GEWELD IN DE PSYCHIATRIE MAAR WEINIG AANGIFTEN BIJ POLITIE

 
Normal_geweld_agressie

Meer dan andere beroepsgroepen hebben hulpverleners in de psychiatrie te maken met fysiek geweld, soms met ernstige gevolgen. Tegelijkertijd is er juist in deze sector onduidelijkheid over hoe dit geweld afgehandeld moet worden en in welke gevallen een strafrechtelijke reactie op zijn plaats is. Slachtoffers in de psychiatrie die aangifte overwegen, stuiten op een aantal knelpunten en dilemma’s. Het gevolg is dat vaak geen aangifte wordt gedaan van deze geweldsdelicten. Dit meldt Programma Politie en Wetenschap.

In onderzoek van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit van Amsterdam zijn de barrières bij het doen van aangifte van geweld in de psychiatrie in kaart gebracht en is gekeken wat de geestelijke gezondheidszorg (ggz), de politie en het Openbaar Ministerie (OM) kunnen doen om slachtoffers beter te ondersteunen.

Slachtoffers die aangifte doen bij de politie doorbreken op dat moment hun beroepsgeheim. De regels over de gronden waarop dit mag zijn streng en zo ingewikkeld dat het slachtoffer vaak afziet van het doen van aangifte. Anders dan in overige sectoren moet het slachtoffer in de psychiatrie vaak zorg blijven verlenen aan de patiënt die gewelddadig is geweest. De hulpverlener is soms bang om aangifte te doen, omdat hij of zij bang is voor represailles door de patiënt. Volledige anonimiteit van het slachtoffer kan in een strafproces niet worden gegarandeerd.

Voor slachtoffers in de psychiatrie die een aangifte overwegen, speelt vergelding vrijwel nooit een rol. Zij hebben vooral behoefte aan bescherming, niet alleen van henzelf maar ook van collega’s en patiënten. Om tot verbeteringen in de praktijk te komen moeten de ggz, politie en het openbaar ministerie gezamenlijk werken aan praktische oplossingen voor de knelpunten. Slachtoffers kunnen worden geholpen door hen te horen en goed te informeren. Er moet worden gezocht naar mogelijkheden om de zorg aan patiënten die gewelddadig zijn geweest voort te zetten zonder dat slachtoffers hiervan hinder ondervinden.

Bron: Nationale Zorggids

Beter weten hoe je om kunt gaan met fysieke agressie? We gaan denken graag met je mee over de mogelijkheden. Neem vrijblijvend contact met ons op. 

Scholing door professionals. Klantgericht, deskundig maatwerk. Training en Coaching Bureau, Croan Consult.